Les 1+2:KENNISMAKEN



 
 
In these 2 lessons you will learn:
* to say hello to someone, to ask how someone is doing
* the article 'de' and 'het'
* nouns, singular and plural
* words to explain the location of an object or person
 
 
 
Les 1:
 
 
TEKST 1
 
a) Luister naar de tekst. U heeft geen woordenboek nodig, de woordenlijst vindt u hier.
(Listen to the text. You don't need a dictionary, the glossary you can find here)
 
For the best sound quality, I recommend to use headphones.
 
 

Hoe gaat het?
 
Dhr. de Vries Goedemorgen Mevrouw Jansen, hoe gaat het met u?
Mevr. Jansen Goed, dank u wel! En hoe gaat het met u?
Dhr. de Vries Heel goed, dank u wel!
 
 
 
Ronald Hoi Linda, hoe gaat het met jou?
Linda Hoi Ronald, goed, bedankt. Alles goed met jou?
Ronald Goed, dank je!
 
 
 
Tim Mijn naam is Tim. Tim de Wolf.
Babette Ik heet Babette, Babette Dufour, aangenaam.
Tim Insgelijks. Komt u hier vandaan?
Babette Nee, ik kom uit Frankrijk, maar ik woon hier.
Tim U spreekt goed Nederlands!
Babette Dank u wel.


 
 
Woordenlijst 1.1
 
 
de les - lesson
met ... kennismaken - to meet ... / to get to know ...
de tekst - text
 
luister (luisteren) - listen
luister naar de tekst - listen to the tekst
de - the
 
je hebt ... nodig (nodig hebben) - you need ... (to need)
geen woordenboek - no dictionary
de woordenlijst - vocabulary
vind (vinden) - find
je - you
hier - here
 
De woordenlijst vind je hier - The glossary you can find here
klik hier (klikken) - click here
Klik hier om te luisteren - Click here to listen
groeten - to say hello / to meet
vertellen - to tell
 
 
 
Now learn the following words from tekst 1:
 
 
Dhr. (de heer) - Mr.
Mevr. (mevrouw) - Mrs. / Ms.
goedemorgen Mevrouw Jansen - goodmorning Mrs. Jansen
goedemiddag - good afternoon
goedenavond - good evening
hoe gaat het met u? - how are you? (formal, polite)
goed - good
dank u wel! - thank you (formal, polite)
en - and
heel goed - very good

hoi - hi, hello (informal)
hallo - hi, hello
hoe gaat het met jou? - how are you? (informal)
bedankt - thank you (informal)
Alles goed (met jou)? - Everything ok (with you)?
 

mijn naam - my name
is (zijn) - is (to be)
ik heet (heten) Babette - my name is Babette
mijn naam is Babette - my name is Babette
aangenaam - pleasant, likeable, it's a pleasure, it's nice to meet you
insgelijks - samewise
komt u hier vandaan? (ergens vandaan komen) - are you from here? (to be from somewhere)
nee - nee
ja - yes
ik kom uit Frankrijk - I'm coming from France
maar - but, however
ik woon (wonen) hier - I live here
U spreekt (spreken) - you speak
Nederlands - Dutch
ik ben Nederlands, ik ben Nederlandse - I am Dutch (male), I am Dutch (female)

zeg mij na (nazeggen) - say after me, repeat my words
zeg de woorden (zeggen) - say the words (out loud)
op de plaats - on the place
van de ... - of the ...
 
lees (lezen) hardop - read out loud
lees tekst 1 zelf hardop - read tekst 1 yourself, out loud
 
extra - extra
de uitleg - explanation
 
het huiswerk - homework
de oefening - exercise
 
 
 
kies de juiste combinatie - choose the right combination, match
kies (kiezen) - choose
de - the
juist(e) - right, correct
 
geef (geven) - give
het antwoord - answer
Geef het antwoord op ... - Answer ...
op - to
deze vragen - these questions
de vraag - question
waar - where
uw - your (formal)
jouw - your (informal)
bent (zijn) - are (to be)
 
terug - back
ga terug (teruggaan) - go back, return
naar - to
naar boven - up
 
terug naar boven
 

b) Zeg mij na. (Repeat after me)

It perhaps feels strange but please really do this. Repeat the words out loud.
Repeating my words will learn you to speak Dutch in a natural way and it will bring you confidence. I'll help your brains to (unconsciously) remember Dutch.
Last but not least, it automatically helps you build your pronunciation.
 


c) Lees met mij mee en zeg de woorden op de plaats van de … (Read with me and say out loud the missing words)



Hoe gaat het?
Dhr. de Vries ... Mevrouw Jansen, hoe gaat het met u?
Mevr. Jansen Goed, dank u wel! En ... gaat het met u?
Dhr. de Vries Heel ..., dank u wel!
 
 
 

Ronald Hoi Linda, hoe gaat het ...?
Linda ... Ronald, goed, bedankt. Alles goed met jou?
Ronald Goed, ...!
 
 
 
Tim Mijn ... is Tim. Tim de Wolf.
Babette Ik heet Babette, Babette Dufour, ....
Tim Insgelijks. Komt u hier vandaan?
Babette Nee, ik ... uit Frankrijk, maar ik ... hier.
Tim U spreekt goed ...!
Babette Dank u wel.
 


d) Zeg mij na.
 



 
 
e) Lees tekst 1 zelf hardop. (Read out loud text 1)
 
 
 
 
Extra uitleg: DUTCH PRONUNCIATION
 
For a pronunciation lesson on Dutch, click on this page: Grammatica uitspraak.
 

 
 
 
 
Extra uitleg: LEARN 75 WORDS IN DUTCH
 
Watch this video, you will learn 75 usefull words. Repeat this video and say the words with me.
Question: which word is named twice in this video?
 
 
 
 
 
Now it's your turn: try to say all the words out loud, good luck!:

 
 
 

 
Extra uitleg

 
Je / u

Je: you say to people you know well, to children, and persons who give you permission to say 'je'.
 
U: you say to people you don't know.
 
If you have any doubts, just use 'u'.
 
 
 
 
INSTRUCTION ABOUT HOW TO SEND ME HOMEWORK:
Download this Homework file.  Do your exercise(s), save this file on your computer and send it as attachment(s) by email to: manon@nederlandslerenbijmanon.nl
You can also print it out, do your exercises with a pen and scan it back to me.
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 1.1
 
Kies de juiste combinatie (match sentences)
1. Ik heet Babette a. Heel goed, dank u wel.
2. Komt u uit Frankrijk? b. Nee, ik kom uit Azerbeidzjan.
3. Hoe gaat het met u? c. Dank u wel, u ook.
4. U spreekt goed Nederlands! d. Nee, ik kom uit Indonesië.
5. Kom je hier vandaan? e. Mijn achternaam is De Wolf.
6. Goedemorgen Ronald! f. Insgelijks!
7. Mijn naam is Tim. g. Hoe heet jij?
8. Ik heet Tim, aangenaam. h. Goedemorgen! Alles goed?
 
1. .........
2. .........
3. .........
4. .........
5. .........
6. .........
7. .........
8. .........
 
 
Huiswerk oefening 1.2
 
Geef antwoord op de vragen:
 
1. Hoe gaat het met u?
.............................................................................................................
2. Waar komt u vandaan?
.............................................................................................................
3. Wat is uw naam?
.............................................................................................................
4. Spreekt u Nederlands?
.............................................................................................................
5. Bent u een meneer of een mevrouw?
.............................................................................................................
 
 
 

TEKST 2
 
a) Luister naar de tekst. U heeft geen woordenboek nodig. De woordenlijst vindt u onder de tekst.
(Listen to the text. You don't need a dictionary. The glossary can be found below this text.)
 
You will learn these words:
* in
Ik woon in Nederland.
 
* op
Ik zit op school.
 
* onder
Ik sta onder de douche.
 
* boven
De lift gaat naar boven.
 
* naast
Wij staan naast elkaar.
 
* aan
Ik geef een cadeau aan jou.
 
* tussen
De riem van mijn jas zit tussen de autodeur.
 
* achter
Je kunt je auto achter het station parkeren.
 
* voor
Het is kwart voor acht, we moeten gaan!
 
 

 
 
 



De pen ligt in de doos.
 
De kat zit op de tafel.
 
De man staat onder de paraplu.
 
De vogel zweeft boven het hoofd van de vrouw.
 
Het kind staat naast de tafel.
 
Het blaadje hangt aan de boom.
 
Mijn voet zit tussen de deur.

Het huis staat achter de auto.

De auto staat voor het huis.
 
 
 
 
 

 
in - in
pen, de - pen
ligt (liggen) - is lying
doos, de - box
De pen ligt in de doos - The pen is lying in the box
 
op - on top of
kat, de - cat
zit (zitten) - is sitting
tafel - table
De kat zit op de tafel - The cat is sitting on (top of) the table
 
onder - under, below, underneath
man, de - man
staat (staan) - is standing
paraplu, de - umbrella
De man staat onder de paraplu - The man is standing underneath the umbrella
 

boven - above
vogel, de - bird
vliegt (vliegen) - is flying
hoofd, het - head
van - of, from
vrouw, de - woman
De vogel vliegt boven het hoofd van de vrouw - The bird is flying above the women's head
 
naast - next to, besides
kind, het - child
staat (staan) - is standing
tafel, de - tablet
Het kind staat naast de tafel - The child is standing next to the table
 
aan - on
blaadje, het - leaf
hangt (hangen) - is hanging
Het blaadje hangt aan de boom - The leaf is hanging on the tree
 
 
tussen - (in) between
mijn - my
mijn voet - my foot
voet, de - foot
zit (zitten) - is
deur, de - door
Mijn voet zit tussen de deur - My foot is between the door
 
achter - behind
huis, het - house
staat (staan) - is standing
auto, de - car
Het huis staat achter de auto - The house is standing behind the car
 
voor - in front of
De auto staat voor het huis - The car is standing in front of the house
 
kijk - look
en - and
zeg mij na - say after me, repeat
 
in - in
op - on top of
onder - under, below, underneath
boven - above
naast - next to, besides
aan - on
tussen - (in) between
voor - in front of, before
achter - behind
 
het huiswerk - homework
de oefening - exercise, assignment
 
 
 
 
b) Kijk de videofilm en zeg mij na.
 
 
 
c) Zeg mij na.
 

in
op
onder
boven
naast
aan
tussen
voor
achter
 
 
schrijf (schrijven) - write
de woorden - the words
die - that
je hoort - you hear
Schrijf de woorden op die je hoort. - Write down the words (that) you hear
Vul in (invullen) - Fill in
 

Huiswerk oefening 1.3
 

 
Schrijf de woorden op die u hoort:
1. .........
2. .........
3. .........
4. .........
5. .........
6. .........
7. .........
8. .........
9. .........
10. .........
11. .........
12. .........

 
 
 
Huiswerk oefening 1.4
 
Vul in:
 
1. De pen ligt ... de doos.

2. De kat zit ... de tafel.

3. De man staat ... de paraplu.

4. De vogel zweeft ... het hoofd van de vrouw.

5. Het kind staat ... de tafel.

6. Het blaadje hangt ... de boom.

7. Mijn voet zit ... de deur.

8. Het huis staat ... de auto.

9. De auto staat ... het huis.

1. .........
2. .........
3. .........
4. .........
5. .........
6. .........
7. .........
8. .........
9. .........
 
 
 
 
 
Extra uitleg

 
De / het / een
 
De / het / een is placed before every noun. A noun is a word that describes a person, an animal or a thing.
 
* Singular

Something known, familiar:
de (male/female nouns): de man, de vrouw
het (neuter nouns): het kind

Something unknown:
een (all nouns): een man, een vrouw, een kind
 
* Plural
 
de (all nouns): de mannen, de vrouwen, de kinderen
 
Voorbeelden (examples):
 
Ik heb een nieuwe buurman.(you don't know him yet)
De buurman is aardig.(you know him)
Maria en Jan kopen een huis.(you don't know it yet)
Het huis is heel groot.(you know it)
 
 

 
 
Samenvatting (resume):
 
De / het (known)
male female neuter
singular de de het
plural de de de
 
Een (unknown)
male female neuter
singular een een een
plural de de de
 
 
Most Dutch words are male or female.(de)
 
Diminuitive words (mostly ending with -tje or -je) are always neuter.(het)
 

 
Het mannetje (little man)
 
Het ijsje (little ice cream)
 
Het busje (small van, small bus)
 
Het beestje (small animal)
 
However, many words are neuter for another reason.
The only way to learn is to learn 'de' or 'het' together with each noun.

 

 
De tuin. Een tuin.
 
De auto. Een auto.
 
Het spel. Een spel.
 
Het boek. Een boek.
 
Het raam. Een raam.
 
 
NB Between 'de' or 'een' and a noun, an adjective can be placed.
 

 
de auto. de gele auto. the yellow car.
het boek. het dikke boek. the big book.
een jurk. een mooie jurk. a beautiful dress.
 
 
Woordenlijst 1.3
 
 
 
de - the
het - the, it
 
de mannen - the men
de vrouwen - the women
de kinderen - the children
 
Ik heb een nieuwe buurman. - I have a new neighbour.
De buurman is aardig. - My neighbour is friendly.
 
Ze kopen een huis. - They are buying a house.
Het huis is heel groot. - The house is very big.
 
de samenvatting - resume

mannetje, het - little man
ijsje, het - icecream



busje, het - little bus
beestje, het - little animal

de tuin - the garden
een tuin - a garden
de auto - the car
een auto - a car
het spel - the game
een spel - a game
het boek - the book
een boek - a book
het raam - the window
een raam - a window 

het boek - book
de boeken - books
 

het bureau - desk
de bureaus - desks
de auto - car
de auto's - cars

 
Huiswerk oefening 1.5
Vul in: 'de' of 'het'
 (Fill in 'de' or 'het')
 
 
1. ... tuin
2. ... ijsje
3. ... buurman
4. ... buurvrouw
5. ... boek
6. ... kind
7. ... raam
8. ... auto
9. ... jurkje
 
 
 
 
DUTCH CAM CHAT 1:
 
1) Vertel me:
- hallo
- uw naam
- waar komt u vandaan?
- waarom bent u in Nederland?
Als u een woord niet weet, terwijl u praat, gebruik woorden uit uw eigen taal. U kunt ze dan later opzoeken in een (online) woordenboek.

 
(Please tell me:
- hello
- your name?
- where are you from?
- why are you in The Netherlands?
If you have forgotten a specific word, while talking, just use a word from your own language. I can tell you the word, or later on you can look it up in a (online) dictionary.)
 
2) I will give you some words and sentences in English, you tell me in Dutch.
 
 
3) We will practice 'de' and 'het' together.
 
 
Goed gedaan! U heeft les 1 afgerond.  (Well done! You've finished the first lesson.)
 
 
 
Les 2:
 
Download this Homework file for this lesson.
 
 
EXTRA UITLEG
 
Singular / Plural
 
How to make a singular word plural?
 
add -en, -s or 's.
 

 
1 boek - 10 boeken
 
1 bureau - 10 bureaus
 
1 auto - 10 auto's
 
 
Huiswerk oefening 2.1
Vul het meervoud in (fill in plural)
 
1. het mannetje - ...de mannetjes...
2. het ijsje - ...
3. het busje - ...
4. het beestje - ...
5. het boek - ...
6. de jurk - ...
7. het bureau - ...
8. het cadeau - ...
9. de auto - ...
10. de ara - ...
 
het cadeau, het cadeau - present, gift
de ara - ara (parrot)
 
Enkele handige regels (Some useful rules)
 
1. Nouns ending with 1 vowel and 1 consonant, will double the consonant in plural.

de jas, de jassen
de les, de lessen
de kip, de kippen
de rok, de rokken
de bus, de bussen
de giraf, de giraffen
 
 
 
 
2a. If a noun ends with 2 vowels and 1 consonant, one vowel will disappear in plural.

de maan, de manen
het been, de benen
de boom, de bomen
het vuur, de vuren
 
 
 
 
2b. Nouns ending with 2 vowels and -f or -s, will change them in -v or -z in plural.
In Dutch a word never ends with a -v or a -z.

de brief, de brieven
de slaaf, de slaven
 
het huis, de huizen
de kaas, de kazen
 
 
 
 
 
NB
Klinkers (vowels) are: a, e, i, o, u, y
Medeklinkers (consonants) are: b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, z
Naturally, there are more rules, and even more exceptions on singular-plural rules,
but don't worry, you will learn them by time, in next levels.
Woordenlijst 2.1
 

 
de jas - coat, jacket
de les - lesson
de kip - chicken
de rok - skirt
de bus - bus
 
 
de giraf - giraffe
de maan - moon
 
 
het been - leg
de boom - tree
het vuur - fire
de brief - letter
de slaaf - slave
het huis - house
de kaas - cheese

NB (nota bene) - PS
klinkers - vowels
medeklinkers - consonants
enkelvoud - singular
meervoud - plural
 
 
Huiswerk oefening 2.2
 
Meervoud? Vul in.
 
 
 
1. de vrouw
 
de vrouwen
2. de man
3. de vriend
4. het woord
5. het land
6. het formulier
7. de tijd
8. de naam
9. het paard
10. de vraag
11. het uur
12. de minuut
13. de boot
14. de straat
15. het huis
16. de broer
17. het gesprek
18. het feestje
19. de letter
20. de tram
21. de tramhalte
22. het kaartje
23. de agenda
24. de taxi
 
 
Woordenlijst 2.2
 

 
 
de vriend - friend
het woord - word
het land - country
 
 
het formulier - form
de tijd - time
het paard - horse
 
 
de vraag - question
het uur - hour
de minuut - minute
de boot - boat
de straat - street
de broer - brother
het gesprek - conversation
het feestje - feestje
 
 
de letter - letter (from the alphabet)
de tram - tram
de tramhalte - tram stop, tram station
het kaartje - ticket
de agenda - agenda, calendar, appointment book
de taxi - taxi
 
 
Huiswerk oefening 2.3
 
Maak enkelvoud (make singular):
 
1. de jassen - ...de jas...
2. de trams - ...
3. de broers - ...
4. de giraffen - ---
5. de huizen - ...
6. de bomen - ...
7. de kazen - ...
8. de vuren - ...
9. de mannen - ...
10. de spellen - ...
 
 
Huiswerk oefening 2.4
 
Schrijf een tekst, waarin u iemand groet en vertel uit welk land u komt.
 
 
schrijf (schrijven) - write
waarin - in which
iemand - someone
groet (groeten) - meet (to say hello, to meet, to greet)
vertel (vertellen) - tell
u komt (komen) - you are from, you come
 
..........................................................................................
..........................................................................................
..........................................................................................
..........................................................................................
..........................................................................................
..........................................................................................
 
 
 
 

Handige rijtjes (useful sentences)
 

 
handig - useful
rijtje - little row, list
 
* Belangrijke woorden
 
belangrijk - important
het woord - word
ja - yes
nee - no
alstublieft? - please?
alstublieft! - there you are!
ja, graag - yes please
nee, dank u (wel) - no, thank you
geen dank - you-re welcome / don't mention it
pardon - excuse me
neemt u mij niet kwalijk - excuse me
akkoord - allright, I agree
misschien - maybe / perhaps
Ik weet het niet. - I don't know.
 
dag! (bij komen) - hello! (at entering)
hallo - hello
goedemorgen - goodmorning
goedemiddag - good afternoon
goedenavond - good evening
weltrusten - sleep well
tot ziens - goodbye, see you later
tot straks - see you later, see you soon
goede reis! - Have a safe trip!
 

 
 
 
* Understand each other
 
 
Ik spreek geen... - I don't speak...
 
Ik spreek een beetje... - I speak a little...
 
Ik ben Nederlander/Nederlandse - I am Dutch (male) / I am Dutch (female)
 
Spreekt u Engels / Frans / Duits / Spaans / ...? - Do you speak English / French / German / Spanish / ... ?
 
Is er iemand die ... spreekt? - Is there anyone who speaks ...?
 
Wat zegt u? - What do you say?
 
Ik begrijp het niet - I don't understand.
 
Begrijpt u mij? - Do you understand me?
 

 
Wilt u dat alstublieft (a.u.b.) herhalen? - Could you repeat that, please?
 
Kunt u wat langzamer praten? - Could you talk more slowly, please?
 
Wat betekent dat woord? - What does that word mean?
 
Kunt u dat voor me opschrijven? - Could you write that down for me?
 
Kunt u dat voor me spellen? - Could you spell that for me?
 
Een ogenblik, ik moet het even opzoeken. - Just a moment, I have to look it up.
 
Hoe zeg je dat in het Nederlands? - How do you say that in dutch?
 
Hoe spreek je dat uit? - How do you pronounce that?
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 2.5
 
Vul de juiste woorden in.(fill in the right words)
 
opschrijven / begrijpt / op / langzamer / goedenavond / pardon / weltrusten / weet
 
1. ... meneer Jansen! Hoe gaat het met u?
2. ... u mij?
3. Kunt u dat voor me ... ?
4. ..., spreekt u Engels?
5. Kunt u wat ... praten?
6. Ik zie u morgen weer, ... !
7. Ik ... het niet.
8. De vogel zit ... het huis.
 
 
Huiswerk oefening 2.6

Beschrijf de plaats van de bal ten opzichte van de kast. (describe the position of the ball in relation to the closet)
 
1. De bal is ... de kast.
 
2. De bal is ... de kast
 
 
 
3. De bal is ... de kast
 
 
4. De bal is ... de kast
 

 
 
5. De bal is ... de kasten.
 
1. De bal is .....................................
2. ................................................
3. ................................................
4. ................................................
5. ................................................
 
 
 

Huiswerk oefening 2.7
 
Schrijf de woorden op die u hoort (Write down the words (that) you hear)
 

 
1. .........
2. .........
3. .........
4. .........
5. .........
6. .........
7. .........
 
 
 
 
Huiswerk oefening 2.8
 
Please repeat these complete lessons.
 
 
 
 
 
Good job!
 
Now you are able to:
* to say hello to someone, to ask how someone is doing
* use 'the article 'de' and 'het'
* use nouns, singular and plural
* use words to explain the location of an object or person



DUTCH CAM CHAT 2:
 


 
Oefening 1:
Read out loud text 2 to me.
Read 'Handige rijtjes' before homework exercise 1.10 to me.
 
 
Oefening 2 :
I will give you some words in singular, and you give me plural.
 
 
Oefening 3:
Heeft u vragen over deze les?
(Do you have any questions about this lesson?)
 

 


Gefeliciteerd! U heeft uw 1e en 2e les afgerond.
(Congratulations! You finished your 1st and 2nd lesson.)
 
 
 
 
 
 


Disclaimer: Texts are used for learning words and learning grammar in specific fields of knowledge.
These texts are for learning purposes and do not necessarily express a common or personal opinion.