Les 3+4:PRATEN OVER JEZELF
 
 
In these lessons you will learn:
* to talk about your home and your hobbies
* personal pronouns
* 8 most-used irregular verbs
* Dutch verbs, present time
 


 
Les 3:
Download the homework file for this lesson HERE.
 

TEKST 1
 
a) Luister naar de tekst.
 
 
Klik hier om te luisteren:
 
 
 
Wie ben ik?

Ik heet Paolo. Ik ben 37 jaar oud.
Ik kom uit Italië. Ik ben geboren in Florence.
Ik woon nu in Nederland, in Rotterdam.
Ik ben tuin-architect.
Mijn vrouw heet Anna. Ze is Nederlandse.
Ze is verpleegster.
Samen wandelen we graag. Ook houden we allebei van lekker koken.
Mijn lievelingsmuziek is jazz en populaire muziek.
We hebben geen kinderen.
Wel een hond. Zijn naam is Max. Hij is erg ondeugend.
Ik mis mijn land soms een beetje. Maar ik vind het heel leuk om in Nederland te wonen.
Mijn favoriete kleur is blauw. Ik houd van de kleur blauw van de Nederlandse lucht.
Ik ga graag naar Delft. Dit is een mooie oude stad in Nederland.
 
 
 
 
 
 
Woordenlijst 3.1
 

 
praten (praten) - talk (to talk)
over - about
jezelf - yourself
 
wie - who
ben (zijn) - am (to be)
ik - I
Wie ben ik? - Who am I?
Ik heet ... - My name is ...
Ik ben (zijn) - I am (to be)
37 zevenendertig - thirtyseven
het jaar - year
oud - old
 
 
Ik kom uit ... - I'm from ...
Italië - Italy
Ik ben geboren in ... - I was born in ...
in Florence - Firenze
Ik woon - I live
nu - now
Nederland - The Netherlands, Holland
de tuin-architect - landscape gardener
 
 
mijn - my
de vrouw - wife
ze, zij - she or they
de verpleegster - nurse
samen - together
wandelen (wandelen) - walk (to walk)
we, wij - we
graag - to like (I like to make photos = Ik maak graag foto's)
ook - too, as well
we houden van (houden van) - love
allebei - both
lekker - nice
koken - cook
lekker koken - cook delicious food
 
 
lievelingsmuziek - favourite music
lievelings... - favourite ...
populaire muziek - pop music
hebben - to have
geen - no
kinderen - children
wel - with this word you express the opposite of 'not'
niet - not
een hond - a dog
Zijn naam is Max - His name is Max
erg ondeugend - very naughty
ondeugend - naughty
 
 
Ik mis (missen) - I miss (to miss)
soms - sometimes
een beetje - a little (bit)
maar - but, however
ik vind ... leuk (leuk vinden) - I like ... (to like)
heel leuk - very nice
favoriete - favourite
de kleur - colour
blauw - bleu
de lucht - sky
 
 
Ik ga naar ... (gaan) - I am going to ... I am leaving for ...
dit - this
mooi - beautiful
oud - old
stad - city
puntjes - dots
 
 
 
b) Zeg mij na.
 

 
 
c) Zeg mij na en zeg de woorden op plaats van de puntjes.
 

 
 
Wie ben ik?
 
Ik heet Paolo. Ik ben 37 jaar ... .
Ik kom uit Italie. Ik ben ... in Florence.
Ik woon ... in Nederland, in Rotterdam.
Ik ben tuin-architect.
Mijn ... heet Anna. Ze is Nederlandse.
Ze is ... .
Samen wandelen we ... . Ook houden we allebei van lekker ... .
Mijn lievelingsmuziek is jazz en populaire ... .
We hebben ... kinderen.
Wel een hond. Zijn naam is Max. ... is erg ondeugend.
Ik mis mijn land ... een beetje. Maar ik vind het heel leuk om in Nederland te ....
Mijn favoriete ... is blauw. Ik houd van de kleur blauw van de Nederlandse ... .
Ik ga graag naar Delft. Dit is een ... oude stad in Nederland.
 
 
Huiswerk oefening 3.1
 
Schrijf 5 zinnen over jezelf.
(Write 5 sentences about yourself.)
 
Voorbeeld (Example):
 
 
Mijn naam is Yvonne Siebelink.
Ik woon op de Westersingel, nummer 23, in Den Haag.
Ik woon samen met mijn man.
Ik kom uit Portugal.
Ik woon hier al twee jaar.
-------------------------------------------------------------------------------------------
-------------------------------------------------------------------------------------------
-------------------------------------------------------------------------------------------
-------------------------------------------------------------------------------------------
-------------------------------------------------------------------------------------------
 
 
 
 
 
 
 

TEKST 2
 
a) Luister naar de tekst.
 
 
 
 
Ziekenbezoek

Janneke's opa Willem ligt in het ziekenhuis.
Janneke gaat op bezoek. Zij neemt een cadeau mee voor haar opa.
 
Janneke Mag ik u wat vragen? Weet u misschien waar het ziekenhuis is?
Vreemde
Ja, hoor. U volgt deze straat in die richting en neemt de tweede straat rechtsaf.
Bij het stoplicht slaat u linksaf. Daar is het ziekenhuis.
Janneke Dank u wel!
...
Opa Willem Janneke! wat een leuke verrassing!
Janneke Hallo opa, hoe gaat het met u?
Opa Willem
Niet zo heel goed. Ik heb een zware longontsteking.
Janneke Wat vervelend voor u. Ik heb een cadeautje voor u meegenomen, alstublieft!
Opa Willem
Wat lief! Ik ben gek op chocola.
Hoe gaat het met jou? Heb je het naar je zin op je nieuwe school?
Janneke
Ja, ik heb leuke jongens en meisjes in mijn klas. Mijn leraar is alleen een beetje streng.
Maar gelukkig heb ik een lieve opa!
Opa Willem Ik vind het leuk dat je er bent!
 
 
 
 


 
 
 
 
b) Zeg mij na
 


 
 
 

Woordenlijst 3.2
 

 
het ziekenbezoek - hospital visit
Janneke's - from Janneke
de opa - grandpa
ligt (liggen) - lies (to lie)
het ziekenhuis - hospital
gaat (gaan) - goes (to go)
op bezoek gaan - to visit
neemt ... mee (meenemen) - takes (to take)
het cadeau(tje) - present, gift
 
 
 
 
voor - for
haar - her
Mag (mogen) ... ? - May I, can I ... ?
wat - something
misschien - maybe, perhaps
Ja, hoor - Yes I do
volgt (volgen) - follow
deze - this
de straat - street
die - that
de richting - direction
tweede - second
rechtsaf - to the right
linksaf - to the left
het stoplicht - traffic light
linksaf slaan - to turn left
daar - there
wat een verrassing! - what a surprise!
niet zo heel goed - not very good, not very well
zwaar, zware - heavy
de longontsteking - pneumonia
vervelend - inconvenient, nasty, annoying, horrible
ik heb - I have
ik heb meegenomen - I've brought
het naar je zin hebben - to revel
de school - school
klas - class
mijn leraar - my teacher
de leraar, de lerares - teacher (male, female)
 
 
 
 
alleen - just
streng - strict, tough, rigourous, severe
gelukkig - fortunately
ik vind het leuk dat ... - I enjoy ...
 
 

c) Lees met me mee en zeg de woorden op de plaats van de …
 

 
 
Ziekenbezoek

Janneke's opa Willem ligt in het ... .
Janneke gaat op bezoek. Zij neemt een cadeau mee voor ... opa.
 
Janneke Mag ik u wat vragen? Weet u ... waar het ziekenhuis is?
Vreemde
Ja, hoor. U volgt deze ... in die richting en neemt de tweede straat ... .
Bij het stoplicht slaat u ... . Daar is het ziekenhuis.
Janneke Dank u wel!
...
Opa Willem Janneke! wat een leuke verrassing!
Janneke Hallo opa, hoe gaat het met ... ?
Opa Willem
Niet zo heel goed. Ik heb een ... longontsteking.
Janneke Wat vervelend voor u. Ik heb een ... voor u meegenomen, alstublieft!
Opa Willem
Wat lief! Ik ben ... op chocola.
Hoe gaat het met jou? Heb je het naar je ... op je nieuwe school?
Janneke
Ja, ik heb leuke ... en meisjes in mijn klas. Mijn leraar is alleen een beetje ... .
Maar gelukkig heb ik een ... opa!
Opa Willem Ik vind het leuk dat ... er bent!
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 3.2
 
Luister opnieuw naar de tekst. (Listen to the tekst again.)
 
 
 
 
Beantwoord de volgende vragen met 'goed' of 'fout'.
(Answer the following questions with 'true' or 'false'.
 
1. Het ziekenhuis is bij het stoplicht linksaf. goed
2. Het is geen verrassing voor opa.
3. Opa heet Willem.
4. Het gaat goed met opa.
5. Opa is gek op chocola.
6. Janneke heeft een leuke klas.
7. Janneke's leraar is niet streng.
8. Opa vindt het leuk dat Janneke er is.
 
 
 


Extra uitleg
 
In a normal sentence, the verb comes after the subject.
In a question, the verb comes before the subject.
De manloopt op straat.
Looptde man op straat?
 
 
Huiswerk oefening 3.3
 
Vul in:
 
1. Opa Willem heeft een zware longontsteking.
...Heeft opa een zware longontsteking ...?
 
 
2. Opa is gek op chocola.
........................................................?
3. Janneke neemt chocola mee.
........................................................?
4. Mijn leraar is een beetje streng.
........................................................?
5. Zij heeft een lieve opa.
........................................................?
6. Ik vind het leuk.
........................................................?
 
 
 
 
 
 
TEKST 3
 
 
a) Luister naar de tekst. Klik hieronder voor geluid.
 
 
 
 
 
Nederlands leren
 
Ik heb een computer.
Ik leer Nederlands bij NederlandsLerenBijManon.nl.

Ben jij blij dat ik Nederlands praat?
Zijn jullie blij dat ik Nederlands praat?

Ik en mijn familie leren iedere dag meer woorden.
Wij praten samen Nederlands.


 
 
b) Zeg mij na.
 

 
 
Woordenlijst 3.3
 

 
de computer - computer
ik leer (leren) - I learn (to learn)
bij - at, with
blij - happy
ben jij (zijn) - are you (to be)
dat - that
iedere - every
iedere dag - every day
meer - more
het woord - word
 
 
c) Zeg de tekst nog een keer na. (Repeat the text one more time)
 
 
 
 
Extra uitleg
 
Person as subject:
 
 
 
Singular
 
ik (I)
jij / je / u (you)
hij, zij / ze, het (he, she, it, You: 'hij' is a boy, 'zij' is a girl, 'het' means it)
 
Plural
 
wij / we(we)
jullie (you plural)
zij / ze (they)

- 'jij' , 'zij' and 'wij' gives more emphasis than 'je', 'ze' and 'we'.
 
- voorbeelden:
 
Ik maak het terras schoon.
Jij loopt buiten.
Hij heeft longontsteking.
Zij houdt van chocola.
Wij nemen een cadeau mee.
Jullie zijn trots.
Wij praten Nederlands.
 
 
Person as object or indirect object:
 

 
Singular

mij, me (me)
jou, je, u (you)
hem, haar, het (him, her, it, You)
 
Plural

ons (us)
jullie (you plural)
hun/hen ((them)
- 'mij' and 'jou' gives more emphasis than 'me' and 'je'.
 
 
- voorbeelden:
 
 
* lijdend voorwerp ('direct object')
Jij ziet mij.
Ik houd van jou.
Zij zoeken haar.
Ik zie hen in de zee.
 
* meewerkend voorwerp ('dative case')
Jij geeft mij chocola. Jij geeft chocola aan mij.
Wij leren je Nederlands. Wij leren Nederlands aan jou.
 
 

 
 
 
 
 
Woordenlijst 3.4
 

 
ik maak schoon (schoonmaken) - I clean (to clean)
het terras - terrace, pavement, patio
jij loopt (lopen) - you walk (to walk)
buiten - outside
 
 
 
hij heeft (hebben) - he has (to have)
wij nemen ... mee (meenemen) - We take ... with us (to take with)
jullie zijn (zijn) - you are (to be) (plural)
trots - proud
wij praten (praten) - we talk (to talk)
wij leren aan jou (leren)- we teach you
ik leer Nederlands (leren) - I am learning Dutch
zij zoeken (zoeken) - they are looking for, searching, seeking (to look for, to search, to seek)
de zee - sea
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 3.4
 
Schrijf de 'personal pronouns' op uit deze tekst: (write down the personal pronouns from this text:)
 
Nederlands leren
 
Ik heb een computer.
Ik leer Nederlands bij NederlandsLerenBijManon.nl.

Ben jij blij dat ik Nederlands praat?
Zijn jullie blij dat ik Nederlands praat?

Ik en mijn familie leren iedere dag meer woorden.
Wij praten samen Nederlands.
 
...
...
...
...
...
...
...
 
 
 
 
 
 
 
 
Samenvatting (Summary)
 
personal pronoun personal pronoun direct object personal pronoun dative
ik mij, me ik zie mij (aan) mij, me ik geef iets aan mij / ik geef mij iets
jij, je, u
jou, je, u ik zie jou (aan) jou, je, u ik geef iets aan jou / ik geef jou iets
hij, zij, ze, het
hem, haar, het ik zie hem (aan) hem, haar, het ik geef iets aan hem / ik geef hem iets
wij, we ons ik zie ons (aan) ons ik geef iets aan ons / ik geef ons iets
jullie jullie ik zie jullie (aan) jullie ik geef iets aan jullie / ik geef jullie iets
zij, ze hen ik zie hen (aan) hun / aan hen ik geef iets aan hen / ik geef hun iets
 
 
 
 
Huiswerk oefening 3.5
 
Vul de juiste vorm in: (fill in the right form:)
 
1. Ik zie ... (hij)
 
...Ik zie hem.

2. Zij zoeken ... (ik)
..........................................................................
3. Hij ziet ... (zij singular)
..........................................................................
4. Wij zoeken ... (jullie)
..........................................................................
5. Ik zie ... (zij plural)
..........................................................................
6. Jullie zoeken ... (wij)
..........................................................................
7. Jij houdt van ... (ik)
..........................................................................
 

 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 3.6
 
Vul de juiste vorm in: (fill in the right form:)
 
1. Ik geef een cadeau aan ... (hij)
 
...Ik geef een cadeau aan hem.
Ik geef hem een cadeau.

2. Ik geef een cadeau aan ... (zij plural)
..........................................................................
..........................................................................
3. Ik geef een cadeau aan ... (jullie)
..........................................................................
..........................................................................
4. Zij leren Nederlands aan... (wij)
..........................................................................
..........................................................................
5. Zij leren Nederlands aan ... (zij singular)
..........................................................................
..........................................................................
6. Ik leer Nederlands aan ... (je)
..........................................................................
..........................................................................
7. Ik leer Nederlands aan ... (u)
..........................................................................
..........................................................................
 
 
 
 
 
TEKST 4
 
 
 
 
 
a) Luister naar de tekst.
 
 
 
 
 
De supermarkt
 
 
 
 
 
 
Kassière Goedemiddag!
Pieter Hallo!
Kassière Heeft u een bonuskaart?
Pieter Ja, alstublieft!
Kassière Spaart u zegels?
Pieter Nee, dank u wel.
Kassière 24,75 euro alstublieft.
Pieter Ik wil graag pinnen.
Kassière
Ga uw gang.
Wilt u een kassabon?
Pieter Nee, dank u wel.
Kassière Wilt u meedoen aan de mini's - actie?
Pieter Ja, graag. Ik spaar ze voor mijn zoontje.
Kassière Alstublieft! Een fijne dag!
Pieter U ook. Tot ziens!
 
 
 
 
 
 
Woordenlijst 3.5
 

 
 
kassière - cashier
bonuskaart - bonus card / customer card
spaart u zegels? (sparen) - you collect coupons?
pinnen - pay with card
Ga uw gang - You can
de kassabon - receipt
wilt u (willen) ... ? - you would like ... ?
meedoen aan - to join, to participate
de actie - the promotion
mini's - small things (for example small plastic puppets in the supermarket, you get for free with your groceries)
contant betalen - pay cash
 
 
 
 
 
b) Luister en zeg mij na. Herhaal dit twee keer. (listen and repeat, repeat this two times)
 
 

 
 
Huiswerk oefening 3.7
 
Kies: ja, graag! / nee, dank u wel!
Give the same answers as Pieter does in text 4.
 
1. Bonuskaart / klantenpas? ja! alstublieft.
2. Zegels sparen? .....
3. Pinnen? .....
4. Contant betalen? .....
5. (Kassa)bon? .....
6. Meedoen aan een actie? .....
 
 
 
Huiswerk oefening 3.8
 
Go to the supermarket and write down all the words you have used.
....................................................................................................
....................................................................................................
....................................................................................................
....................................................................................................
....................................................................................................
 
 
 
 
WEBCAM SESSION 3:
 
1) Vertel me over uzelf in 10 zinnen. (Tell me something about yourself in 10 sentences)
 
2)Vertel me over Janneke en wat zij gaat doen in het ziekenhuis.
 
3) We oefenen het gesprek in de supermarkt.
 
4) Heeft u vragen? Vond u iets moeilijk?

 
 
 
Les 4:
Download the homework-file for this lesson HERE.
 
 
 
Extra uitleg
 
Werkwoorden (verbs)


 
 
 
Onvoltooid tegenwoordige tijd (present)
 
 
* Beschrijft een actie of toestand die op dit moment gebeurt.
(describes an action or situation that is happening right now)
 
Ik lees een boek. (I am reading a book.)
Hij schrijft een brief. (He is writing a letter.)
De kikker springt weg. (The frog jumps away.)
 
 
 
* Beschrijft een actie of toestand die blijft, of die je herhaalt.
(describes an action or situation that remains or that is repeated)
 
Vissen leven in het water. (Fish live in the water.)
Ik poets iedere dag mijn tanden. (I brush my teeth every day.)
 
 
 
Woordenlijst 4.1
 

 
werkwoord - verb
onvoltooid - unfinished
tegenwoordig - present
tijd - time
beschrijft (beschrijven) - describes (to describe)
de actie - action
de toestand - situation, status
op dit moment - right now
het moment - moment
ik lees (lezen) - I read (to read)
het boek - book
hij schrijft (schrijven) - he writes (to write)
de kikker - frog
springt weg (wegspringen) - jumps (to jump) up
het blijft (blijven) - it remains (to remain)
een toestand, die - a situation that
vissen - fish (fish in general)
de vis - the fish
vissen leven (leven) - fish live (to live)
het water - water
ik poets (poetsen) - I brush (to brush)
de tand - tooth
 
 
 
 
Belangrijke onregelmatige werkwoorden (important irregular verbs)
 
 
zijn (to be)
 
 

ik ben
jij/u bent
hij/zij is
wij zijn
jullie zijn
zij zijn
 
Voorbeelden:
Waar is het ziekenhuis? (Where is the hospital)
Waar zijn de ziekenhuizen? (Where are the hospitals)
Waar zijn wij? (Where are we?)
 
 
 
hebben (to have (got), to own)
 
 
 
ik heb
jij/u hebt
hij/zij heeft
wij hebben
jullie hebben
zij hebben
 
Voorbeelden:
ik heb een computer. (I have a computer)
Hij heeft een computer. (He has a computer)
Hebben jullie een fiets? (Do you own a bike?)
 
 
gaan (to go)
 
 
 

ik ga
jij/u gaat
hij/zij gaat
wij gaan
jullie gaan
zij gaan
 
Voorbeelden:
Ik ga naar Delft. (I am going to Delft)
Zij gaat naar huis. (She is going home)
 
 
 
a) Zeg mij na. (Repeat after me)
 
 

 
 
 
b) Zeg mij nog een keer na. (Repeat after me one more time)
Blijf herhalen, totdat u deze rijtjes kunt dromen. (Keep repeating untill you can dream these words)
 

 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.1
 
 
Vervoeg de 3 werkwoorden zijn, hebben en gaan. (Conjugate the verbs 'zijn', 'hebben'and 'gaan')
 
 
ZIJN HEBBEN GAAN
ik ... ... ...
jij/u ... ... ...
hij/zij/het ... ... ...
...
wij ... ... ...
jullie ... ... ...
zij ... ... ...
 
 
Huiswerk oefening 4.2
 
 
Vul in en schrijf/typ de hele zin over:
(Fill in and write down/type the whole sentence)
 
1. Hij ... (hebben) een hond.
2. Jullie ... (gaan) naar huis.
3. Ik ... (zijn) moe.
4. Jij ... (zijn) een lief mens.
5. Wij ... (hebben) een boek.
6. Jij ... (gaan) naar Nederland.
7. Zij (plural) ... (zijn) ver weg.
8. Zij (singular) ... (gaan) weg.
 
1. ............
2. ............
3. ............
4. ............
5. ............
6. ............
7. ............
8. ............
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.3
 
Vul de juiste vorm in. (Fill in the right form)
 
 
Zijn
 
Hij ...
Ik ...
Jullie ...
Zij (singular) ...
Het ...
Jullie ...
Wij ...
U ...
Ze (plural)
 
 
Hebben
 
Het ...
Jullie ...
Wij ...
U ...
Ze (plural)
Hij ...
Ik ...
Jullie ...
Ze (singular) ...
 
 
Gaan
 
U ...
Zij (plural)
Hij ...
Ik ...
Jullie ...
Zij (singular) ...
Jullie ...
Wij ...
Het ...
 
 
 
 
 
 
Extra uitleg
 
Hulpwerkwoorden: verbs mostly used together with another verb.
 
 
 
kunnen (to can, to be able to) moeten (to must, to have to) mogen (to be allowed to, to may) willen (to want) zullen (will be, shall)
ik kan moet mag wil zal
jij kunt / kan moet mag wilt zal
hij/zij kan moet mag wil zal
wij kunnen moeten mogen willen zullen
jullie kunnen moeten mogen willen zullen
zij kunnen moeten mogen willen zullen
 
 
 
 
 
 
Zeg mij na. (Repeat after me)
 

 
 
Voorbeelden:
 
Zal ik een cadeau meenemen? (Shall I bring a present?)
Mogen wij een sigaret (pakken)? (Could we have a cigarette?)
Kunt u me helpen? (Can you help me?)
Ik wil een cadeau geven aan mijn zoon. (I want to give a present to my son.)
Wij zullen komen. (We will come.)
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.4
 
Vul in:
 
ik ... (kunnen)
hij ... (mogen)
jullie ... (zullen)
ze (singular) ... (moeten)
jullie ... (willen)
jij ... (willen)
jij ... (moeten)
ik ... (mogen)
wij ... (willen)
het ... (moeten)
je ... (zullen)
u ... (willen)
wij ... (mogen)
ik ... (zullen)
zij (plural) ... (zullen)
 
 
 
Huiswerk oefening 4.5
 
Vul in:
 
zullen / zal / willen / mag / moet / wilt / mogen
 
1. Je ... gaan.
2. Wij ... een boek lezen.
3. Jullie ... een thuis hebben.
4. Hij ... geduldig zijn.
5. Hij ... later lang zijn.
6. ... u gaan?
7. Jullie ... wel een snoepje.
 

 
 
Woordenlijst 4.2
 
lezen - to read
thuis - home
 
 
 
huis - house
geduldig - patient
later - in the future, later
lang - long, tall
wel - this word is used together with the verb 'mogen' to express an encouragement.
jullie mogen een snoepje - you are allowed to have a candy, you can have some candy
jullie mogen wel een snoepje - you are allowed to have candy, you can have soms candy
jullie mogen geen snoepje - you are not allowed to take candy
 
 
 
 
 
Extra uitleg
 
Alle Nederlandse werkwoorden worden gevormd vanuit de 'stam', dit is het werkwoord gebruikt voor de persoon 'ik'.
(All Dutch verbs are built up from a so-called 'stam', this is the verb used for the person 'I'.)
 
Stam - tree trunk
De stam van een werkwoord - the root of the word, the root of the verb (the verb that is in person IK)
Infinitief / het hele werkwoord - infinitive
 
 
 
Infinitief -/- '-en' = stam (werken, werk)
Ik = stam (ik werk)
jij/hij/zij/het/u = stam + t (hij werkt)
wij/jullie/zij = infinitief (wij werken)
 
 

 
Dus bij werkwoorden betekent de STAM: ik-vorm!
source: www.leestrainer.nl
 
 
 
Huiswerk oefening 4.6
 
Klik op onderstaande link om te oefenen.
Onthoud: de stam maakt u door '-en' van het infinitief (het hele werkwoord) af te halen.
Bijvoorbeeld: zingen - ik zing. De stam is 'zing'.
 
(Click on the link below to practice.
Remember: you make the'" stam" just by removing '-en' from the infinitive.
For example: to sing - I sing. The "stam" is 'sing'.
 
http://www.leestrainer.nl/Leerlijn%20werkwoorden/stam.htm
 
 
 
 
Extra uitleg
 
Vervoeging zwakke werkwoorden (leren, praten) (How to make Dutch verbs)
 
We noemen een werkwoord zwak of sterk aan de hand van zijn gedrag in de verleden tijd.
Zwakke werkwoorden krijgen meestal de stam + te(n) of de(n) in de verleden tijd.
Sterke werkwoorden krijgen vaak een andere klinker in de verleden tijd.)
 
(We divide Dutch verbs in weak or strong, based on how the verb behaves in past tense.
So-called weak verbs just add 'te' or 'de' to the "stam" in past tense.
So-called strong verbs get another vowel in past tense)
 
We start with the weak verbs, because they are easier.
In next chapters we will learn the past tense, but first we start with present time.
 
Remember:
For example: werken (to work)
Infinitief -/- en = stam (werken, werk)
Ik = stam (ik werk)
jij/hij/zei = stam + t (hij werkt)
wij/jullie/zij = infinitief (wij werken)
 
 
 
 
 
 
Present time:
 
Zie hieronder het blauwe schema (look down below, the blue table).
Kijk naar de voorbeelden (please look at the examples):
 
- Alleen de woorden in het enkelvoud zijn anders dan het infinitief.
- De vorm in het meervoud is altijd het infinitief.
- Alle vormen in het enkelvoud krijgen een -t, behalve 'ik'.
- Staat je of jij achter het werkwoord (bij een vraag), dan schrijf je geen -t achter de stam.
 
 
Jij werkt de hele dag. Werk jij de hele dag? (Do you work all day?)
Jij loopt naar school. Loop jij naar school? (Do you walk to school?)
Je maakt het werk af. Maak je het werk af? (Do you finish the job)
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
(- only the verbs in singular form are different than the infinitive.
- the plural form is always exact the same as the infinitive.
- all singular forms get a '-t', except the 'ik'-verb.
- if 'je' or 'jij' is placed behind the verb (when a question is asked), you don't write a '-t' behind the "stam".)
 
 
werken (work) branden (burn) wachten (wait) maken (make, do) pakken (take)
ik werk brand wacht maak pak
jij werkt brandt wacht maakt pakt
hij/zij werkt brandt wacht maakt pakt
wij werken branden wachten maken pakken
jullie werken branden wachten maken pakken
zij werken branden wachten maken pakken
 
 
 
 
 
 
 
Hoe vind je de stam van een regelmatig werkwoord? (How to find the "stam" (=ik-verb) of a regular verb?)
 
 
 
* A) Er zijn veel werkwoorden waarvan je alleen -en van de infinitief haalt om de "stam" te vinden.
(There are verbs from which you just have to remove '-en' from the infinitive to find the "stam".)
 
werken - ik werk
 
 
 
* B) Zoals 'maken': werkwoorden die in de infinitief 1 klinker hebben en in de "stam" 2 klinkers.
(verbs like 'maken': verbs that have 1 vowel in the infinitive, but in the "stam" 2 vowels.)
 
maken - ik maak
 
 
 
 
 
 
leren (learn) praten (talk)
ik leer praat
jij leert praat
hij/zij leert praat
wij leren praten
jullie leren praten
zij leren praten
 
 
 
 
 
 
 
* C) Zoals 'pakken': werkwoorden waarbij je -en en een medeklinker moet weghalen om de stam te vinden.
(verbs like 'pakken': verbs from which you have to remove '-en' and a consonant from the infinitive to find the "stam".
 
pakken - ik pak
 
zitten (sit) plakken (stick) bellen (call)
ik zit plak bel
jij zit plakt belt
hij/zij zit plakt belt
wij zitten plakken bellen
jullie zitten plakken bellen
zij zitten plakken bellen

 
 
 
 
 


 
Andere voorbeelden (other examples):
bakken (to bake) - ik bak
likken (to lick) - ik lik
 
 
 
Extra uitleg

* Staat in het infinitief een -v of -z voor -en, dan wordt in de stam de -v en -z een -f en een -s.
Aan het eind van een woord staat nooit een -v of -z.
(Does the infinitive contain a -v or -z before -en, then they become a -f or a -s in the "stam".
In Dutch, a word never ends with a -v or -z.)
 
geven - ik geef
Wouter geeft haar tien euro. (Wouter gives her ten euro)
 
graven - graaf
Jij graaft een gat. (You dig a hole)
 
reizen - reis
Ik reis altijd met de trein naar mijn werk. (I Always travel to work by train)
 
 
 
 
 
 
That was a lot of grammar theory!
Let's go practice......
 
 
Huiswerk oefening 4.7
 
The easy verbs.
Just remove -en from the infitive, then you'll have the right verb for 'ik'.
Then, add -t for je/jij/hij/zij/ze/het/u.
Don't remove anything to make the plural verb for we/wij/jullie/zij/ze.
 
INFINITIVE WERKEN
stam werk ik werk
stam + t werkt jij/u werkt
hij/zij werkt
het werkt
infinitive werken wij werken
jullie werken
zij werken
 
Now you:
Use 'werken':
 
1. jij ...
2. wij ...
3. ik ...
4. hij ...
5. wij ...
6. zij (singular) ...
7. jullie ...
8. het ...
9. zij (plural) ...
 
 
 
Huiswerk oefening 4.8
 
If the "stam" already has a '-t', it is even more simple:
wachten - ik wacht.
Now you:
Use 'moeten' (to have to, to must):
 
1. ik ...
2. jij ...
3. hij/zij/het ...
4. wij ...
5. jullie ...
6. zij (plural) ...
7. het ...
 
 
 
Huiswerk oefening 4.9
 
The special group of verbs that double the vowel in the "stam":
Vul in:
Use 'spreken' (to speak)
 
1. ik ...
2. jij ...
3. hij/zij/het ...
4. wij ...
5. jullie ...
6. zij (plural) ...
7. het ...
 
 
 
Huiswerk oefening 4.10
 
The special group of verbs that make disappear a consonant in the "stam":
Vul in:
Use 'bellen' (to call)
 
1. ik ...
2. jij ...
3. hij/zij/het ...
4. wij ...
5. jullie ...
6. zij (plural) ...
7. het ...
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.11
 
The special group of verbs that change the last consonant -v or -z in the "stam" into -f or -s:
Vul in:
Use 'geven' (to give)
 
1. ik ...
2. jij ...
3. hij/zij/het ...
4. wij ...
5. jullie ...
6. zij (plural) ...
7. het ...
 
Use 'reizen' (to travel)
 
1. ik ...
2. jij ...
3. hij/zij/het ...
4. wij ...
5. jullie ...
6. zij (plural) ...
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.12
 
Schrijf het hele werkwoord op. (Write down the infinitive)
 
1. Hoe maak ik een cake? - ...maken...
 
 
 
2. Waar woon je? - .........
 
3. Ik ben 20 jaar (oud). - .........
 
4. Wat bedoel je? - .........
 
5. Het vuur brandt. - .........
 
6. De orca zwemt. - .........
 
 
 
 
 
 
7. Jij graaft een gat. - .........
 
8. Ik bak een taart. - .........
 
9. De sticker plakt. - .........
 
 
 
 
10. Jij spreekt Nederlands. - .........
 
11. Ik wacht al 5 minuten! - .........
 
12. Mona Lisa glimlacht. - .........
 
13. Hij vecht voor zijn leven. - .........
 
14. Ik moet naar de WC. - .........
 
 
 
 
Woordenlijst 4.3
 

 
de cake - cake, pie
bedoel (bedoelen) - mean (to mean)
het vuur - fire
branden - to burn
de orca - killer whale
zwemmen - to swim
graven - to dig
het gat - hole
bakken - to bake
de taart - pie
de sticker - sticker
plakken - to stick
de minuut - minute
 
 
 
 
glimlachen - to smile
vechten - to fight
het leven - life
moeten - have to
WC - toilet
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.13
 
 
 
 
Ga je mee wat drinken? dan kun je me alles over jezelf vertellen.
(Are you coming for a drink? then you can tell me all about yourself.)
 
Use: 'drinken' (to drink)
 
1. Ik ...drink... wat
 
2. ... jij ook wat?
 
3. Mijn man ... ook wat.
 
4. Leuk, wij ... wat.
 
5. Jullie mogen ook wat ...
 
6. Zij ... ook wat met ons.
 
You've practiced many verbs. The first step is to recognise the verbs.
Try to use it as much as possible while speaking.
Don't hesitate, you'll be in good control of these verbs soon.
Dare to speak, dare to write, dare to make mistakes. The secret of learning a language is to force yourself to speak.

 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 4.14
 
Now let's do an exercise that has nothing to do with verbs.
 
Perhaps you noticed that Dutch speaking people say 3 different sounds to the letter 'e'.
 
 
1. e (as the english word 'pet'). This sound is used when the 'e' is stretched or placed before 2 consonants.
schelden (to curse)
drempel (treshold)
ik ren (I am running)
redden (to save)
de slang vervelt (the snake is changing skin ...)
 
2. u (as the second 'e' in english word 'better'). This sound is used when the 'e' is not stressed.
de heuvel (hill)
 
 
3. ee (as the english word 'chase'). This sound is used when the 'e' is stressed, but placed before 1 consonant.
 
 
Woordaccent. Lees en luister.
(Word accent. Read and listen.)
 

 
Hallo Jimmy.
Hoe gaat het met je?
Mag ik je even voorstellen?
Dit is mijn moeder.
Hoe maakt u het?
Veel plezier en tot ziens.
 
Listen again and give special notice to the pronunciation of the 'e'.
Hallo Jimmy.
Hoe gaat het met je?
Mag ik je even voorstellen?
Dit is mijn moeder.
Hoe maakt u het?
Veel plezier en tot ziens.
 
 
You almost finished lesson 4.
Let's close chapter 4 with 'handige rijtjes'.
 
 
 
Handige rijtjes (useful sentences):
 

 
 
 
Persoonlijke gegevens - personalia
 
achternaam - last name / family name
voornaam - first name
voorletters - initials
adres - address
postcode - zip code
woonplaats - city
geslacht (M/V) - gender (male/female)
nationaliteit - nationality
geboortedatum - date of birth
geboorteplaats - place of birth
beroep - profession
gehuwd / ongehuwd - married / single
 
 
 
samenwonend - living together
gescheiden - divorced
weduwe, weduwnaar - widdow (male, female)
(aantal) kinderen - (number of) children
nummer identiteitsbewijs (paspoort, rijbewijs) - identity card number (passport, driver's license)
plaats en datum van afgifte - place and when the identity document was issued / delivered
(mobiele) telefoonnummer - (mobile) telephone number
e-mail adres - e-mail address
 
 
 
website - website
 

Een mening geven (express your opinion)
 

 
Wat heeft u liever? - What do you prefer?
 
Wat vind je ervan? - What do you think about this?
 
Houd je niet van dansen? - You don't like to dance?
 
Het maakt mij niets uit. - It doesn't matter to me.
 
Goed zo! - Very good! / Well done!
 
Niet slecht! - Not bad!
 
Heerlijk! - Wonderful / Delicious!
 
Wat is het hier gezellig! - It's very cosy / nice here!
 
Wat leuk/mooi! - Very nice / beautiful!
 
Wat fijn voor u! - How nice for you!
 
Ik ben (niet) erg tevreden over... - I'm (not) very satisfied about...
 
Ik ben blij, dat... - I'm glad/happy that
 
Ik amuseer me prima. - I'm having a good time.
 
Ik verheug me erg op... - I'm looking forward to ...
 
Ik hoop dat het lukt. - I hope it'll succeed.
 
Wat afschuwelijk! - How horrible!
 
Wat jammer! - Such a shame!/Such a pity!
 
Wat een onzin/flauwekul! - Nonsense!
 
Ik houd niet van... - I don't like .../ I don't love...
 
Ik verveel me kapot. - I feel very bored.
 
Ik heb er genoeg van! - I'm fed up with it!
 
Dat kan zo niet! - That is not possible! / Don't do that!
 
Ik had iets heel anders verwacht. - I expected something else.
 
Ik vind dit verhaal interessant. - This story seems interesting to me.
 
Ik vind dit verhaal saai. - This story seems boring to me.
 
Volgens mij is dit niet waar. - According to me, this is not true.
 
Dit onderwerp ligt gevoelig. - This is a delicate subject.
 
Dit onderwerp interesseert me. - This subject interests me.
 
 
 
 
 
 
 
Herhaling uitspraak (Repeat pronunciation):
 
 
PRONUNCIATION FLASHCARD, click here: Grammatica uitspraak
 
 
 

Huiswerk oefening 4.15
 
Now, let's do something completely else, and fun:
 
 
Introductie 'Mijn dagboek'(Introduction 'My Diary')

Vanaf nu geef ik u iedere les een opdrachtje voor in uw dagboek.
Sommige mensen gebruiken een dagboek om hun ervaringen, gedachten en dromen in op te schrijven.
We doen nu net alsof u nu ook een dagboek heeft, maar dan om uw Nederlands te oefenen.
Dit wordt een leuk document om te bewaren en uw vorderingen in te zien.
 
(From now on I will give you a litlle assignment to write in your diary.
Some people use a diary to write down their experiences, thoughts and dreams.
Now let's pretend you have a diary, a diary just to practice your Dutch.
This is going to be a fun document to keep and see your progression.)
 
 
 
 
Krantenartikel van vandaag. (newspaper article of today)
Zoek een krantenartikel in de krant van vandaag. Ga bijvoorbeeld naar www.nu.nl of www.ad.nl)
(Look for an article in today's newspaper. For example go to www.nu.nl or www.ad.nl)
 
 
1. Waar gaat het artikel over? (What is the article about?)
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
 
 
2. Schrijf alle werkwoorden op, die u in het artikel krantenartikel ziet.
(Write down all verbs you spotted in the news article)
......................
......................
......................
......................
......................
......................
......................
......................
......................
......................
......................
 
 
3. Kies 2 werkwoorden en geef me de juiste vorm.
(Pick 2 verbs and give me the right form of all persons (singular and plural).)
 
 
Verb 1: ............
infinitive: ............
ik ..........
jij ..........
hij/zij ..........
wij ..........
jullie ..........
zij ..........
 
 
Verb 2: ............
infinitive: ............
ik ..........
jij ..........
hij/zij ..........
wij ..........
jullie ..........
zij ..........
 
 
 
4. Wat is uw mening over de inhoud van dit krantenartikel?
(What's your opinion about the contents of this article?)
.....................................................................................................................................
..................................................................................................................................... 
.....................................................................................................................................
.....................................................................................................................................
 
 
 
 
 
 
 
 

DUTCH CAM CHAT 4:

1. Vertel me hardop alle vormen van de werkwoorden
a) zijn
b) werken
c) maken
d) pakken
e) kunnen
f) gaan
g) willen
 
2. Vertel me wat over uzelf. Ongeveer 10 minuten.
(U mag het ook eerst opschrijven en dan voorlezen)
 
3. Vertel me over het krantenartikel dat u bestudeerd heeft voor uw dagboek.
 
 
 
 
 
Well done!
Now you are able to:
 
* talk about your home and your hobbies in Dutch
* use personal pronouns
* use the 8 most-used irregular verbs
* build all verbs in present time
 
 
 
 
 
 
 
 
 
GEFELICITEERD! U heeft les 3 + 4 afgerond.
CONGRATULATIONS! You finished lesson 3 and 4!
 
 

 
 
 
 
 

Disclaimer: Texts are used for learning words and learning grammar in specific fields of knowledge.
                                      These texts are for learning purposes and do not necessarily express a common or personal opinion.