Les 5+6: FAMILIE EN VRIENDEN
 
 
In these lessons you will learn:
* to talk about your family and friends
* possessive pronouns
* to offer something to someone, to ask someone out
* imperfect tense
* to write a congratulations card
 
Les 5:
Download the homework-file from this lesson HERE.

a) Luister naar de tekst
 
TEKST 1
 

 
 
 
Mijn opa

Mijn opa was een brandweerman.
Mijn opa bluste veel branden. Hij redde veel mensen uit gebotste auto's.
Hij was gek op mijn oma.
 
Hij reed graag motor. Oma zat graag achterop. "Ik wil ook weer eens op jouw motor." zei ze dan.
Opa had een mooie garage voor zijn motor. Daar was hij erg trots op.
 
Oma had een hondje. Zij was heel blij met haar hondje.
Dat hondje liep vaak weg. "Waar is onze gekke hond?" zei ze dan.
Opa ving het hondje vaak in de tuin. Opa mopperde tegen oma dat ze beter op moest letten.
 
Op een dag zat hun hondje niet in de tuin. Opa zocht hem overal.
Opa vond hem niet.
 
De volgende ochtend pakte opa zijn motor uit de garage. De hond zat in de garage.
Dus zelfs hun hond was gered door opa.
 
Maar oma mopperde dat opa voortaan beter op moest letten!
 
Ik zou graag willen dat mijn opa er nog was.
Ik zou dan zeggen: "Let op jullie hond!"
 
 
 
 
Woordenlijst 5.1
 

 
mijn  -  my
de opa  -  grandpa, grandfather
de oma  -  granny, grandmother
de brandweerman  -  fireman, firefighter
blussen  -  to extinguish, to put out
de brand  -  fire, conflagration
redden  -  to rescue
mensen  -  people
veel  -  many
gebotste auto's  -  cars that collide, crashed
hij was gek op...  -  he adored ...
motor rijden  -  to drive a motorcycle
 
 
achterop  -  at the back
willen  -  to want
eens  -  once
weer  -  again
dan  -  then, subsequently
de garage  -  garage
 
 
voor  -  aimed, meant for, for
trots  -  proud
heel trots  -  very proud
trots zijn op ...  -  to be proud of ...
 
 
blij zijn met  -  to be happy with
weglopen  -  to walk away, to escape, to elope
vaak  -  often
waar  -  where
vangen  -  to catch
de tuin  -  garden
 
 
mopperen  -  to grumble
tegen  -  to, against
beter  -  better
opletten  -  to pay attention
op een dag  -  on a certain day, once upon a time 
zoeken  -  to look for, to search
 
 
vinden  -  to find
overal  -  everywhere
volgend(e)  -  next
de ochtend  -  morning
zelfs  -  even
door  -  by
gered worden door ... -  to be rescued by ...
voortaan  -  henceforth, from now on, next time
Ik zou graag ...  -  I wish  ... , I would like to...
 
 

b) Zeg mij na     
 


Let vooral op de bezittelijke voornaamwoorden: (pay special attention to the possessive pronouns)
 
 
Mijn opa

Mijn opa was een brandweerman.
Mijn opa bluste veel branden. Hij redde veel mensen uit gebotste auto's.
Hij was gek op mijn oma.
 
 
 
Hij reed graag motor. Oma zat graag achterop. "Ik wil ook weer eens op jouw motor." zei ze dan.
Opa had een mooie garage voor zijn motor. Daar was hij erg trots op.
 
Oma had een hondje. Zij was heel blij met haar hondje.
Dat hondje liep vaak weg. "Waar is onze gekke hond?" zei ze dan.
Opa ving het hondje vaak in de tuin. Opa mopperde tegen oma dat ze beter op moest letten.
 
Op een dag zat hun hondje niet in de tuin. Opa zocht hem overal.
Opa vond hem niet.
 
De volgende ochtend pakte opa zijn motor uit de garage. De hond zat in de garage.
Dus zelfs hun hond was gered door opa.
 
Maar oma mopperde dat opa voortaan beter op moest letten!
 
Ik zou graag willen dat mijn opa er nog was.
Ik zou dan zeggen: "Let op jullie hond!"
 
 
c) Zeg mij na
 

 
Let vooral op de werkwoorden in de verleden tijd: (pay special attention to the verbs in the past)
 
 
Mijn opa

Mijn opa was een brandweerman.
Mijn opa bluste veel branden. Hij redde veel mensen uit gebotste auto's.
Hij was gek op mijn oma.
 
Hij reed graag motor. Oma zat graag achterop. "Ik wil ook weer eens op jouw motor." zei ze dan.
Opa had een mooie garage voor zijn motor. Daar was hij erg trots op.
 
Oma had een hondje. Zij was heel blij met haar hondje.
Dat hondje liep vaak weg. "Waar is onze gekke hond?" zei ze dan.
Opa ving het hondje vaak in de tuin. Opa mopperde tegen oma dat ze beter op moest letten.
 
Op een dag zat hun hondje niet in de tuin. Opa zocht hem overal.
Opa vond hem niet.
 
De volgende ochtend pakte opa zijn motor uit de garage. De hond zat in de garage.
Dus zelfs hun hond was gered door opa.
 
Maar oma mopperde dat opa voortaan beter op moest letten!
 
Ik zou graag willen dat mijn opa er nog was.
Ik zou dan zeggen: "Let op jullie hond!"

 

 
Imperfect tense:
 
zijn  -  ik was
blussen  -  ik bluste
redden  -  ik redde
hebben  -  ik had
lopen  -  ik liep
zeggen  -  ik zei
 
vangen  -  ik ving
mopperen  -  ik mopperde
moeten  -  ik moest
zitten  -  ik zat
zoeken  -  ik zocht
vinden  -  ik vond
pakken  -  ik pakte
 
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.1 
 
Zet tekst 1 in de tegenwoordige tijd: (write tekst 1 in present time)
 
 
Mijn opa
 
...Mijn opa is een brandweerman.
Mijn opa.....................veel branden. .....................................................................................
.....................................................................................................................................................
 
.....................................................................................................................................................
.....................................................................................................................................................
 
.....................................................................................................................................................
.....................................................................................................................................................
.....................................................................................................................................................
 
.....................................................................................................................................................
.....................................................................................................................................................
 
.....................................................................................................................................................
.....................................................................................................................................................
 
.....................................................................................................................................................
 
.....................................................................................................................................................
.....................................................................................................................................................
 
 
 
 
 
 
d) Lees met mij mee en zeg de woorden op de plaats van de puntjes.
 

 
Mijn opa

Mijn opa was een ... .
Mijn opa bluste veel branden. Hij ... veel mensen uit gebotste auto's.
Hij was gek op mijn ... .
 
Hij ... graag motor. Oma zat graag achterop. "Ik wil ook weer eens op ... motor." zei ze dan.
Opa had een mooie garage voor ... motor. Daar was hij erg trots op.
 
Oma had een hondje. Zij was heel blij met haar ....
Dat hondje liep vaak weg. "Waar is ... gekke hond?" zei ze dan.
Opa ving het hondje vaak in de ... . Opa mopperde tegen oma dat ze beter op ... letten.
 
Op een dag zat hun hondje niet in de tuin. Opa zocht hem overal.
Opa ... hem niet.
 
De volgende ochtend pakte opa zijn motor ... de garage. De hond zat in de garage.
Dus ... hun hond was gered door opa.
 
Maar oma ... dat opa voortaan beter op moest letten!
 
Ik zou graag willen ... mijn opa er nog was.
Ik ... dan zeggen: "Let op jullie hond!"
 
 
 
 
 

Extra uitleg
 
Bezittelijk voornaamwoord (possessive pronoun)

Subject Possessive form
ik Dit is mijn opa.
jij Dit is jouw opa.
hij / zij / het Dit is zijn opa. Dit is haar opa.
wij Dit is onze opa.
jullie Dit is jullie opa.
zij Dit is hun opa.
 
 
 

 
* Afkortingen (abbreviations)
 
'zijn' can be abbreviated with ' z'n '
'haar' can be abbreviated with ' d'r '
 
zijn opa z'n opa Ik zie zijn opa. Ik zie z'n opa.
haar opa d'r opa Ik zie haar opa. Ik zie d'r opa.
 
However, in written tekst it's better to write the full word.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.2
 
Vul in: mijn / jouw / zijn / haar / onze / jullie / hun / hij
 
1. Waar woon je?  Bij ... vader en moeder.
2. Zij woont in Nederland.  ... zus woont daar ook.
3. Marie-Louise en Pascal hebben een zoon.  ... is 12 jaar.
4. Je hebt een aardige oom. Wat is ... e-mailadres?
5. ... koffers liggen op de bagageband.
 
 
6. Dit is mijn jas. Is dat ... jas?
7. Hoi Olivier en Patrick, zijn dat ... vriendinnen?
8. Rutger en Marvin wonen in Amsterdam. In die straat is ... winkel.
 
 
Woordenlijst 5.2 Familieleden (family members)
 

 
de vader  -  father
de moeder  -  mother
de broer  -  brother
de zus  -  sister
de oma  -  grandma
de opa  -  grandpa
de oom  -  uncle
de tante  -  aunt
het kleinkind  -  grandchild
het achterkleinkind  -  greatgrandchild
de kleinzoon  -  grandson
de kleindochter  -  granddaughter
de neef  -  nephew or cousin
het neefje  -  nephew
de nicht  -  niece or cousin
het nichtje  -  niece
peetoom  -  godfather
peettante  -  godmother
mijn man, mijn echtgenoot  -  my husband
mijn vrouw, mijn echtgenote  -  my wife 
 
 
 de zoon = son, de dochter = daughther
 
 
Huiswerk oefening 5.3
 
Hoe heten ze in uw familie?
 
Ik heet ...
Mijn moeder heet ...
Mijn vader heet ...
Mijn zoon heet ... / mijn zonen heten ... en ...
Mijn dochter heet ... / mijn dochters heten ...
Mijn kleindochter(s) heet (heten) ...
Mijn kleinzoon (kleinzonen) heet (heten) ...
Mijn  broer(s) heet (heten) ...
Mijn zus(sen) heet (heten) ...
Mijn oom(s) heet (heten) ...
Mijn tante(s) heet (heten) ...
Mijn oma van mijn moeders kant heet ...
Mijn opa van mijn moeders kant heet ...
Mijn oma van mijn vaders kant heet ...
Mijn opa van mijn vaders kant heet ...
Mijn neef / neven  heet / heten ...
Mijn nicht / nichten heet / heten ...
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.4
 
Een wens uitdrukken (to express a wish)
 
Ik zou graag...
 
Ik zou graag willen dat mijn opa er nog was.
Ik zou dan zeggen: "Let op jullie hond!"
 
 
Wat zou u graag ...
1. willen zeggen tegen uw (toekomstige) kinderen?
................................................................................
................................................................................
................................................................................
2. willen doen met uw opa of oma?
................................................................................
................................................................................
................................................................................
3. willen doen morgen?
................................................................................
................................................................................
................................................................................
 
 
 
Huiswerk oefening 5.5
 
 
Teken/Schrijf de hele stamboom op, gebaseerd op onderstaande tekst. (Draw up a family tree based upon the following tekst)
 

 
Mijn familie
 
Ik heet Anna. Mijn zus en mijn moeder heten Ingrid. Mijn zus heeft twee kinderen. Hun namen zijn Eva en Thomas. De zus van mijn vader heet Miep. Zijn moeder heet Maria en zijn vader Chris. Ik heb ook nog een broer. Zijn naam is Erik. Oja, mijn vader heet Klaas en de man van mijn zus heet Dennis.
 
... & ...
... ... & ...
... ... ... & ...
... ...
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.6
 
Welke woorden hoort u? Schrijf op.
 

 
1. 11.
2. 12.
3. 13.
4. 14.
5. 15.
6. 16.
7. 17.
8. 18.
9. 19.
10. 20.
 


 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.7
 
Herhaal les 1 en 2. Neem hiervoor minstens een uur.
Schrijf hier op waar u nog moeite mee heeft, dan gaan we dat extra oefenen tijdens de cam-chat. Bijvoorbeeld woorden of grammatica.
(Repeat lesson 1 and 2. Take at least one hour to go through these lessons again. Write down which things (e.g. words or grammar), you have difficulties with, so we can practice that during our cam-chat session.)
........................................................................................................................................................
........................................................................................................................................................
........................................................................................................................................................
........................................................................................................................................................
........................................................................................................................................................
........................................................................................................................................................
 
 
 
 
 
TEKST 2
 
a) Lees onderstaande tekst eerst goed door. (First read this text thoroughly)
Luister dan naar de tekst.
 

 
Vrienden: in het café
Marie-Louise Zullen we hier gaan zitten?
Sandra Oké
Marie-Louise Wat wil je drinken?
Sandra Ik wil graag een glas rode wijn.
Marie-Louise Mevrouw, mag ik een glas rode wijn en een pilsje?
Sandra Trouwens, ik geef zaterdag een feestje. Kom je ook?
Marie-Louise Ja, leuk. Je bent jarig, toch?
Sandra Wat denk je, zal ik Ruben ook uitnodigen?
Marie-Louise He nee, ik vind Ruben niet aardig.
Sandra Heb je een hekel aan hem?
Marie-Louise Nou nee, maar ik vind hem arrogant en ik vind hem niet zo sympathiek.
Sandra Ik wel. Misschien moet je hem gewoon beter leren kennen.
Marie-Louise Laten we gaan, mijn bus komt zo.
Sandra Ja goed, ik moet nog boodschappen doen. Ik krijg vanavond ook bezoek.
 

     
b) Zeg mij na. Let speciaal op de klank van de 'e'.
 

 
 
 

c) Lees met mij mee en zeg de woorden op de plaats van de …
 



Vrienden: in het café
 
 
Marie-Louise Zullen we hier gaan zitten?
Sandra Oké
Marie-Louise Wat wil ... drinken?
Sandra Ik wil graag een glas rode wijn.
Marie-Louise Mevrouw, ... ik een glas rode wijn en een pilsje?
Sandra Trouwens, ik geef zaterdag een feestje. Kom je ook?
Marie-Louise Ja, leuk. Je bent ..., toch?
Sandra Wat denk je, zal ik Ruben ook ...?
Marie-Louise He nee, ik vind Ruben ... aardig.
Sandra Heb je een hekel aan ... ?
Marie-Louise Nou nee, maar ik vind hem arrogant en ik vind hem niet zo ... .
Sandra Ik wel. Misschien moet je hem gewoon beter leren kennen.
Marie-Louise Laten we gaan, mijn ... komt zo.
Sandra Ja goed, ik moet nog boodschappen doen. Ik krijg vanavond ook ... .
     
 
 
Huiswerk oefening 5.8
 

 
Schrijf de woorden op die u hoort en vertaal ze in uw eigen taal:
1. ............... = ...............
2. ............... = ...............
3. ............... = ...............
4. ............... = ...............
5. ............... = ...............
6. ............... = ...............
7. ............... = ...............
8. ............... = ...............
9. ............... = ...............
10. .............. = ...............
 

 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.9
 
Combineer de juiste zinnen (match the right phrases)
 
1. Wat wilt u drinken?
2. Zal ik Piet ook uitnodigen?
3. Zullen we hier gaan zitten?
4. Laten we gaan.
5. Ik geef dinsdag een feestje.
6. Heb je een hekel aan toetjes?
 
 
a. Mijn bezoek komt zo.
b. Kom je ook?
c. Nee, juist niet! ik vind ze heerlijk!
d. He, nee! Ik vind hem niet aardig!
e. Nee, ik zit liever in de hoek.
f. Ik lust graag een appelsap, met ijs.
 
 

 
1. ......
2. ......
3. ......
4. ......
5. ......
6. ......
 
 
 
 
Woordenlijst 5.3
 
juist  -  especially, rather
heerlijk  -  delicious
de hoek  -  corner
het toetje  -  desert 
appelsap  -  apple juice 
een hekel hebben aan ... -  to dislike ... 
 
 
 
 
 
 
TEKST 3
 
 
a) Luister naar de tekst
 

 
 
Naar huis (going home)
 
Mevrouw Sangalo  Hallo, hoe heet je?
Maurits Maurits.
Mevrouw Sangalo  En hoe oud ben je?
Maurits Vijf. Bijna zes.
Mevrouw Sangalo  En waar woon je?
Maurits Bij mijn vader en moeder . Mijn zus woont daar ook.
Mevrouw Sangalo 
Zo, gezellig. Maar ik bedoel eigenlijk: wat is je adres?
In welke straat woon je?
Maurits Julianalaan.
Mevrouw Sangalo  Welk nummer, lieverd?
Maurits 245.
Mevrouw Sangalo  Welk nummer? Wil je wat langzamer praten alsjeblieft?
Maurits 245.
Mevrouw Sangalo  Kom, ik zal je even - hoe zeg je dat? - "Naar thuis brengen".
Maurits Naar huis brengen. Dank u wel mevrouw.
 
 
 
 
Woordenlijst 5.4
 

 
Hoe oud  -  how old
vijf  -  five
zes  -  six

gezellig  -  nice, cozy, homy, intimate, close, enjoyable, pleasant, friendly
bedoelen  - to mean
eigenlijk  -  actually
het adres  -  address
de straat  -  street
de laan  -  avenue
het (huis)nummer  -  number
wat -  a bit, somewhat
Wil je wat langzamer praten?  -  Could you talk a bit more slowly?
 
Wil je iets langzamer praten?  -  Could you talk a bit more slowly?
Wilt u iets langzamer praten?  -  Could you talk a bit more slowly? (you use 'u' for people you don't know and older people, to be polite)
 
alsjeblieft  -  please             (je)
alstublieft  -  please             (u)
245, tweehondervijfenveertig  -  two hundred fourty five
Ik zal je (even) naar huis brengen  -  I will bring you home
het thuis  - a home
 
 
naar huis  -  home
het huis  -  the house 
 
 
 
b) Zeg mij na
 

 
 
 
 
c) Lees met mij mee en zeg de woorden op plaats van de puntjes.
 

 
 
Naar huis
 
Mevrouw Sangalo  Hallo, ... heet je?
Maurits Maurits.
Mevrouw Sangalo  En hoe oud ... je?
Maurits Vijf. Bijna zes.
Mevrouw Sangalo  En ... woon je?
Maurits Bij mijn vader en ... . Mijn zus woont daar ook.
Mevrouw Sangalo 
Zo, gezellig. Maar ... bedoel eigenlijk: wat is je adres?
In welke ... woon je?
Maurits Julianalaan.
Mevrouw Sangalo  Welk nummer, lieverd?
Maurits 245.
Mevrouw Sangalo  Welk nummer? Wil je ... langzamer praten alsjeblieft?
Maurits 245.
Mevrouw Sangalo  Kom, ik zal je even - hoe zeg je dat? - "... thuis brengen".
Maurits Naar huis brengen. ... mevrouw.
 
 
 
Huiswerk oefening 5.10
 
Maak vragen. Gebruik 'u'.
 
1. (28 jaar?) Hoe oud bent u?
2. (naam?) ...
3. (adres?) ...
4. (telefoonnummer?) ...
5. (langzamer praten?) ...
6. (iets drinken?) ...
7. (mij helpen?) ...
8. (2 broers en 1 zus?) ...
9. (waar internetten?) ...
10.(e-mailadres spellen) ...
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.11 
 
Spreekoefeningen (webcam chat) (talk exercise: prepare to talk for the webcam chat)
 
Beantwoord deze vragen: (answer these questions)
1. Kunt u uw naam spellen?
..............................................................................
..............................................................................
2. Waar woont u?
..............................................................................
..............................................................................
3. Woont u in een stad of een dorp?
..............................................................................
..............................................................................
4. Heeft u een zus? Ja? Hoeveel zussen?
..............................................................................
..............................................................................
5. Heeft u een broer? Ja? Hoeveel broers?
..............................................................................
..............................................................................
6. Hoe oud bent u?
..............................................................................
..............................................................................
7. Wat voor feestjes vindt u leuk? 
..............................................................................
..............................................................................
 
spellen  -  to spell
de stad  -  city
het dorp  -  village
wat voor ...  ?  -  what kind of ... ?
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.12 
 
Oefen onderstaande handige rijtjes:
 
Handige rijtjes
 
 
 
Iets aanbieden (to offer something to someone)
 
Mag ik u iets te drinken aanbieden?  -  Can I offer you something to drink?
 
 
Wat wil je drinken?  -  What would you like to drink?
 
Graag iets zonder alcohol.  -  I prefer something without alcohol.
 
Wilt u een sigaret?  -  Would you like a cigarette?
 
Nee, dank u, ik rook niet.  -  No, thank you, I don't smoke.
 
 
 

 
Uitnodigen (to invite)
 
Heb je vanavond iets te doen?  -  You have plans tonight?
 
Heeft u al plannen voor vanmiddag/vanavond?  -  Do you have any plans for this afternoon/this evening?
 
Heb je zin om met mij mee uit te gaan?  -  Do you feel like going out with me?
 
We zouden naar het strand kunnen gaan?  -  We could go to the beach?
 
 
 
Wil je met ons mee naar de stad / het platteland?  -  Do you want to go with us to the city / country-side?
 
Heb je zin om met ons naar vrienden te gaan?  -  Do you feel like coming with us to some friends?
 
Zullen we dansen?  -  Shall we dance?
 
Zullen we (samen) iets gaan drinken?  -  Shall we go for a drink?
 
 
 
Zullen we een eindje gaan lopen / rijden?  -  Shall we go for a walk /for a ride?
 
Ga je mee fietsen?  -  You would like to go cycling with me?
 
Ja, dat is goed.  -  Yes, that's ok.
 
Goed idee!  -  Good idea!
 
Nee, bedankt.  -  No, thank you.
 
Straks misschien.  -  Maybe later.
 
Daar heb ik geen zin in.  -  I don't feel like it.
 
Ik heb geen tijd.  -  I don't have time.
 
Ik heb al een andere afspraak.  -  I already have another appointment.
 
Ik kan niet dansen / zwemmen.  -  I can't dance / swim.
 
 
 
 
 
 
 

 
Iets afspreken
 
Wanneer zie ik je weer?  -  When do I see you again?
 
Heeft u in het weekend tijd?  -  Do you have time this weekend?
 
Wat zullen we afspreken?  -  What shall we agree to do?
 
Zullen we nog eens iets afspreken?  -  Shall we meet another time again?
 
Waar zullen we elkaar treffen?  -  Where shall we meet eachother?
 
Kom je mij ophalen?  -  You will pick me up?
 
Zal ik je ophalen?  -  Shall I pick you up?
 
Ik moet om ... thuis zijn.  -  I have to be home at ...
 
Ik wil je niet meer zien.  -  I don't want to see you anymore.
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 5.12
 
Schrijf een dialoog (write a dialogue):
 
 
Bel een vriend op en spreek iets met hem/haar af.
Verzin wat je wilt gaan doen.
Verzin hoe je vriend reageert en hoe je daar op antwoordt.
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
.............................................................................................................
 
 
 
 


TEKST 3
 
a) Luister naar de tekst
 

 
Van harte gefeliciteerd!
 
 
Anouschka Hoi! Kom binnen.
Cor Van harte gefeliciteerd.
Anouschka
Dank je.
Pas op! Mijn bril.
Cor O, sorry. Alsjeblieft!
Anouschka Dank je wel. Wat een mooie bloemen! Wil je iets drinken?
Cor Ja, graag. Wat heb je?
Anouschka
Koffie, thee, wijn, bier, alcohol vrij bier,  iets fris...
ik heb ook nog warme chocomel.
Cor Heb je ook slagroom?
Anouschka Ja hoor!
Cor Doe maar een warme chocomel met slagroom.
Anouschka Kijk eens, je mok. Pas op, hij is nog heet.
Cor Dank je. Nou, proost!
Anouschka Ja, proost!
 
 
 
 
 
Woordenlijst 5.5
  


(van harte) gefeliciteerd  -  (my warmest) congratulations
Proost / op je gezondheid!  -  Cheers!
hoi  -  hi!
binnenkomen  -  to come in
pas op  -  be careful
de bril  -  glasses
sorry  -  I am sorry
alsjeblieft  -  here you are
wat een  -  what...!
mooi(e)  -  beautiful
de bloem  -  flower
 
 
het bier  -  beer
iets fris  -   a cold drink
fris  -  fresh, refreshing
de koffie  -  coffee
de thee  -  tea
de wijn  -  wine
het wijntje  -  glass of wine
alcohol  -  alcohol
alcoholvrij  -  non-alcoholic
vrij  -  free
ook  -  too, as well, also
warm(e)  -  hot, warm
de chocomel  -  hot chocolate, chocolate milk
 
 
de slagroom  -  whipped cream
hij is nog heet  -  it's still hot
nou ...  -  well ... 
doe dat maar  -  I'll have that
kijk eens  -  here you are, look over there
 

b) Zeg mij na
 

 
 
 
 
c) Lees met me mee en zeg de woorden op de plaats van de puntjes.



  
Van harte gefeliciteerd!
 
Anouschka Hoi! ... binnen.
Cor Van harte ... .
Anouschka
Dank je.
Pas op! Mijn bril.
Cor O, sorry. Alsjeblieft!
Anouschka Dank je wel. Wat een mooie ...! Wil je iets drinken?
Cor Ja, graag. Wat ... je?
Anouschka
Koffie, ..., wijn, bier, alcohol vrij bier,  iets fris...
ik heb ook nog ... chocomel.
Cor Heb je ook slagroom?
Anouschka Ja hoor!
Cor Doe maar een warme chocomel ... slagroom.
Anouschka Kijk eens, je mok. ...! , hij is nog heet.
Cor Dank je. Nou, proost!
Anouschka Ja, ... !
 
 
 
 
 
 
Extra uitleg
 
 
 
 
 
Iemand waarschuwen (to warn someone)
pas op, mijn bril!
pas op, hij is heet!'
pas op!  -  be careful, watch out
wees voorzichtig!  -  be careful
kijk uit!  -  watch out!
let op!  -  pay attention
vergeet niet!  -  don't forget
au!  -  ow, ouch
 
 
 
Huiswerk oefening 5.13
 
Vul in:
 
drinken / slagroom / fris / gefeliciteerd / bloemen / pas op / proost
 
1. Van harte ... met je verjaardag!
2. ... ! Dit is heet!
3. Wat een mooie ... !
4. Wilt u koffie, thee, of liever iets ... ?
5. Ik zou graag een warme chocomel met ... willen.
6. Laten we samen drinken, ... !
7. Willen jullie iets ... ?
 
 
 
WEBCAM SESSION 5:

1) Vertel me over opa, oma, hun garage en hun hond.
 
2) Vertel me over tekst 3, wat gebeurt hier?
 
3) We gaan samen de 'possessive pronouns' oefenen.
 
4) Wegaan samen de woorden 'familieleden' oefenen.
 
 
 
 
Les 6:
 
 
Download the homework-file from this lesson HERE.
 

Huiswerk oefening 6.1
 
a) Luister opnieuw naar tekst 1. Let goed op de werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd (pay special attention to the verbs in imperfect tense)
 

 
 
 
 
 
Mijn opa

Mijn opa was een brandweerman.
Mijn opa bluste veel branden. Hij redde veel mensen uit gebotste auto's.
Hij was gek op mijn oma.
 
Hij reed graag motor. Oma zat graag achterop. "Ik wil ook weer eens op jouw motor." zei ze dan.
Opa had een mooie garage voor zijn motor. Daar was hij erg trots op.
 
Oma had een hondje. Zij was heel blij met haar hondje.
Dat hondje liep vaak weg. "Waar is onze gekke hond?" zei ze dan.
Opa ving het hondje vaak in de tuin. Opa mopperde tegen oma dat ze beter op moest letten.
 
Op een dag zat hun hondje niet in de tuin. Opa zocht hem overal.
Opa vond hem niet.
 
De volgende ochtend pakte opa zijn motor uit de garage. De hond zat in de garage.
Dus zelfs hun hond was gered door opa.
 
Maar oma mopperde dat opa voortaan beter op moest letten!
 
Ik zou graag willen dat mijn opa er nog was.
Ik zou dan zeggen: "Let op jullie hond!"
 
 
 
b) Zeg de woorden hardop die horen op de puntjes.
 
 
 
 
 
Mijn opa

Mijn opa ... een brandweerman.
Mijn opa ... veel branden. Hij ... veel mensen uit gebotste auto's.
Hij ... gek op mijn oma.
 
Hij ... graag motor. Oma ... graag achterop. "Ik wil ook weer eens op jouw motor." ... ze dan.
Opa ... een mooie garage voor zijn motor. Daar ... hij erg trots op.
 
Oma ... een hondje. Zij ... heel blij met haar hondje.
Dat hondje ... vaak weg. "Waar is onze gekke hond?" ... ze dan.
Opa ... het hondje vaak in de tuin. Opa ... tegen oma dat ze beter op ... letten.
 
Op een dag ... hun hondje niet in de tuin. Opa ... hem overal.
Opa ... hem niet.
 
De volgende ochtend ... opa zijn motor uit de garage. De hond ... in de garage.
Dus zelfs hun hond ... gered door opa.
 
Maar oma ... dat opa voortaan beter op ... letten!
 
Ik ... graag willen dat mijn opa er nog ... .
Ik ... dan zeggen: "Let op jullie hond!"
 
 
 
 
 
Extra uitleg
 
Werkwoorden (verbs)
      
Onvoltooid verleden tijd (imperfectum)
 
Voorbeeld 'zijn' en 'hebben' (onregelmatig) (irregular):

 
Zijn (to be)
Mijn opa was een brandweerman.
Dus zelfs de hond was gered door opa.
Ik zou graag willen dat mijn opa er nog was. 
 
 
 
 
 
present imperfect
ik ben was
jij bent was
hij/zij/u is was
wij zijn waren
jullie zijn waren
zij zijn waren
 
 
 
 
 
 
Hebben (to have)
Oma had een hondje.
 
 
 
 
 
present imperfect
ik heb had
jij hebt had
hij/zij/u heeft had
wij hebben hadden
jullie hebben hadden
zij hebben hadden
 
 
Uitleg onvoltooid verleden tijd: 
 

 
 
Voorbeeld:
regelmatig (regular) onregelmatig (irregular)
werken (to work) gaan (to go)
enkelvoud werkte ging
meervoud werkten gingen
 
 
 
Wanneer gebruik je de onvoltooid verleden tijd (when to use the imperfect tense):  
 
 
* Beschrijft iets in het verleden
  (Describes something in the past)
 
Terwijl ik de opdracht maakte, luisterde ik naar muziek.
(While making the assigment, I listened to music.)
 
 
 
* De onvoltooid verleden tijd gebruik je om een verhaal te vertellen. Voor handelingen die vlak achter elkaar plaatsvonden.
  (The imperfect is used to tell a story)
 
Cor ging het huis binnen. Hij deed heel voorzichtig, want het was donker.
(Cor went into the house, he was very careful, because it was dark.)
 
 
 
* De onvoltooid verleden tijd gebruik je om te vertellen wat je vroeger vaak deed. (iets wat vaak gebeurde of een gewoonte was)
 (The imperfect is used to tell about something that happened often or was a habit/custom in the past.)
 
Toen ik klein was, gingen we elke woensdag naar mijn oma.
Ron was als kind heel vaak ziek.
(When I was a child, we went to my gradma every wednesday.
As a child, Ron often was very ill.)
 
 
 
 
 
Hoe maak je de onvoltooid verleden tijd? 


 
werken (to work) branden (to burn) wachten (to wait) maken (to make, to do) pakken (to take)
present imperfect tense present
imperfect
tense
present
imperfect
tense
present
imperfect
tense
present
imperfect
tense
ik werk werkte brand brandde wacht wachtte maak maakte pak pakte
jij werkt werkte brandt brandde wacht wachtte maakt maakte pakt pakte
hij/zij werkt werkte brandt brandde wacht wachtte maakt maakte pakt pakte
wij werken werkten branden brandden wachten wachtten maken maakten pakken pakten
jullie werken werkten branden brandden wachten wachtten maken maakten pakken pakten
zij werken werkten branden brandden wachten wachtten maken maakten pakken pakten
 
* singular: 'stam'+te or 'stam'+de
Just remember: singular is always the same, no matter what person.
 
 
* plural: 'stam'+ten or 'stam'+den
Just remember: plural is always the same, no matter what person. 
 
 
 
 


 
 
Huiswerk oefening 6.2
 
 
Geef de onvoltooid verleden tijd (=past simple) van 'werken' voor alle personen:
ik ...
jij ...
hij/zij/het/u ...
 
wij ...
jullie ...
zij ...
 
Geef de onvoltooid verleden tijd (=past simple) van 'wachten' voor alle personen:
ik ...
jij ...
hij/zij/het/u ...
 
wij ...
jullie ...
zij ...
 
 
 
 
Extra uitleg
 
 
 
-t or -d?
* All verbs that have a 'stam' that ends with -t, -f, -k, -s, -ch, -p end with -te(n) in the imperfect tense. (bijvoorbeeld: werkte danste)
  You can remember the word 'T FOKSCHAAP. (in English you can remember FaT KeTCHuPS)
  ik richt - ik richtte
  ik bluf  -  ik blufte
  ik plak  -  ik plakte
  ik dans  -  ik danste
  ik lach  -  ik lachte
  ik hap  -  ik hapte
 
 
 
 

 
 

woordenlijst 6.1

't fokschaap  -  the sheep to breed / rear with.
richten  -  to target
bluffen  -  to bluf
plakken  -  to stick
dansen  -  to dance
lachen  -  to laugh
happen  -  to bite
bijvoorbeeld  -  for example
 
 
 
* All other verbs end with -de(n) in the imperfect tense. (bijvoorbeeld: belde huilde leefde brandde remde rende)
 
 
 
 
 
 
Overige handige tips (Other useful tips)
 
* Eindigt de stam al op -d, ook dan komt er -de(n) achter. (brandde)
* Eindigt de stam al op -t, ook dan komt er -te(n) achter. (groette)
 
 
 
Exception to the rule: the special -f v and -s z group again:
 
* Eindigt de stam op -f, maar het infinitief op -ven, dan komt er -de(n) achter. (leven leefde (to live), durven durfde (to dare) )
* Eindigt de stam of -s, maar het infinitief op -zen, dan komt er -de(n) achter. (blozen bloosde (to blush) )
In Dutch a word never ends with a '-v' or a '-z'.
 
 
 
Huiswerk oefening 6.3
 
Imperfect tense with 't'
 
Geef de juiste vorm:
                                                                               present                                                                    imperfect tense
dansen
 
 
ik dans ik .....
werken ik werk ik .....
wachten ik wacht ik .....
maken ik maak ik .....
pakken ik pak ik .....
vechten ik vecht ik .....
groeten ik groet ik .....
knippen ik knip ik .....
 
 
 
 
Huiswerk oefening 6.4
 
Imperfect tense with 'd'
 
Geef de juiste vorm:
                                                                                present                                                                   imperfect tense
branden ik brand ik .....
huilen
 
ik huil ik .....
bellen ik bel ik .....
rennen ik ren ik .....
lijmen ik lijm ik .....
remmen ik rem ik .....
rammen ik ram ik .....
dulden ik duld ik .....
 
 
 
Huiswerk oefening 6.5
 
Imperfect tense, special group with 'v' or 'z' in the infinitive.
 
Geef de juiste vorm:
                                                                                present                                                                   imperfect tense
geloven ik geloof in jou. ik .............................
beven ik beef van angst. ik .............................
leven ik leef iedere dag alsof het de laatste is. ik .............................
graven ik graaf een kuil. ik .............................
doven ik doof het vuur. ik .............................
reizen ik reis naar een mooi eiland. ik .............................
blozen ik bloos van schaamte. ik .............................
 
 
Huiswerk oefening 6.6

Geef de juiste vorm van de onvoltooid verleden tijd:
 
1. We ...  (dansen) de hele avond.
2. Ik ...  (branden) mijn hand toen ik vuurwerk afstak.
3. Jij ... (beven) toen je zenuwachtig was.
 
 
4. Jullie ... (werkten) tot laat in de nacht.
5. Zij (plural) ... (huilen) toen de storm alles verwoest had.
6. Hij ... (durven) de hond niet te aaien. 
7. Jullie ... (maken) een lange wandeling.
8. Ik ... (hebben) een lieve opa.
9. Jij ... (zijn) lang.
10. Wij ... (zijn) vorig jaar in Italië.
 
 
Woordenlijst 6.2
 

 
hele  -  whole
de hand  -  hand
toen  -  when
het vuurwerk  -  fireworks
vuurwerk afsteken - fire off fireworks
zenuwachtig  -  nervous
nerveus  -  nervous
laat  -  late
de storm  -  storm
 
 
de wandeling  -  walk, stroll
vorig jaar  -  last year, previous year
 
 
Extra uitleg
 
Strong verbs
 
So called strong verbs change vowels in the imperfect tense.
These verbs don't have -te(n) or -de(n) in the imperfect tense, but a verb-form you have to learn by heart.
 
 
Samenvatting (Resume)
 
WEAK VERBS
 
 
tegenwoordige tijd (present) onvoltooid verleden tijd (imperfect tense)
onderwerp (subject)
ik ... , ...jij? stam stam + te/de
jij/hij/zij (singular)/het/u stam + t stam + te/de
wij, jullie, zij (plural) stam + en stam + ten/den
* if the 'stam' ends with one of these letters 'T FoKSCHaaP: -te(n)
* if the 'stam' does not end with one of these letters 'T FoKSCHaaP: -de(n)
 
 
STRONG VERBS
change a vowel in imperfect tense. You don't have to think about 'T FoKSCHaaP (or FaT KeT CH uPS) here.
 

 
 
tegenwoordige tijd (present) onvoltooid verleden tijd (imperfect tense)
onderwerp (subject)
ik ... , ...jij? roep, loop, vecht, sla riep, liep, vocht, sloeg
jij/hij/zij (singular)/het/u roept, loopt, vecht, slaat riep, liep, vocht, sloeg
wij, jullie, zij (plural) roepen, lopen, vechten, slaan riepen, liepen, vochten, sloegen
 
 
 
 
 
 
Both weak and strong verbs in imperfect tense:
* singular always the same, no matter what person.
* plural always the same, no matter what person.
Also irregular verbs have same forms in singular and same forms in plural. 
 
 

Woordenlijst 6.3
 

 
leven  -  to live
remmen  -  to brake
rennen  -  to run
roepen  -  to call, to scream
bellen  -  to call (telephone)
huilen  -  to cry
lopen  -  to walk
vechten  -  to fight
slaan  -  to hit
rammen  -  to hit very hard
geloven  -  to believe
beven  -  to shiver
doven  -  to put out
knippen  -  to cut (with scissors)
lijmen  -  to glue
dulden  -  to abite, to tolerate, to endure, to put up with, to bear with
     
 
 
Extra uitleg
 
Some verbs not just change vowel, but also change some other letters.
For example: 'gaan' (to go)
 
ik ga  -  ik ging
jij gaat  -  jij ging
hij gaat  -  hij ging
 
wij gaan  -  wij gingen
jullie gaan  -  jullie gingen
zij gaan  -  zij gingen
 
For example: 'komen' (to come)
 
ik kom  -  ik kwam
jij komt  -  jij kwam
hij komt  -  hij kwam
 
wij komen  -  wij kwamen
jullie komen  -  jullie kwamen
zij komen  -  zij kwamen
 
For example: 'lezen' (to read)
 
ik lees  -  ik las
jij leest  -  jij las
hij leest  -  hij las
 
wij lezen  -  wij lazen
jullie lezen  -  jullie lazen
zij lezen  -  zij lazen
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 6.7
 
 
Maak de onvoltooid verleden tijd:
1. Ik (roepen) ... jou, maar je (komen) ... niet. 
2. Ik (lopen) .... naar het restaurant.
3. De broers (vechten) ... dagelijks om hun speelgoed.
4. De bokser (slaan) ... per ongeluk de scheidsrechter. 
5. Wij (gaan) ... weg.
 

KLIK HIER VOOR EEN LIJST MET STERKE WERKWOORDEN (CLICK HERE FOR A LIST OF STRONG VERBS IN DUTCH)  
 
 
 
 
Huiswerk oefening 6.8
 
Verander tegenwoordige in verleden tijd: (change present into past imperfect time) 
 
Wij wachten op de trein.
Wij .............................
Ik kom binnen en bestel een koffie.
Mijn oma leeft alsof iedere dag de laatste is.
Jullie geven me een compliment.
Jij bent mooi.
Zij blozen.
 
 
Huiswerk oefening 6.9
 

 
 
Feestdagen met familie en vrienden (holidays with family and friends)
 
Schrijf hier op welke speciale feestdagen en gebeurtenissen gevierd worden in uw land, met familie en vrienden.
Bijvoorbeeld Kerstmis of Nieuwjaarsdag, een verjaardag, etcetera.
Schrijf ook op welke dingen jullie samen doen op deze dagen.
 
(Please write down what special holidays and events are celebrated in your country, with family and friends?
For example Kerstmis (Christmas), Nieuwjaarsdag (New Year's Day), een verjaardag (a birthday), etc.
Also write down what things you do together on these days.)
 
 
 
 
 
....................................................................................................................................................
.................................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
 
 
 
Huiswerk oefening 6.10
 
 
 
 
Bruiloft 
Schrijf een korte tekst.
 
 
 
 
Bent u weleens op een bruiloft geweest?
Wie trouwden er? Welke kleren had het bruidspaar aan? Gingen jullie na het officiele gedeelte naar een restaurant? Was er ook een feest? Met muziek? Heeft u ook gedanst?
(Have you ever been to a wedding?
Who married? What clothes did they wear? You went to a restaurant after the ceremony? Was there a party afterwards? With music?
Did you dance?)
 
.................................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................
 
 
 
Woordenlijst 6.4
 
weleens  -  sometimes
welke  -  which, what kind of
het bruidspaar  -  bridal couple
officieel, officiele  -  official
het gedeelte  -  part
 
 
 

Huiswerk oefening 6.11
 
Geboortekaartje (birth card)
 
 
 

 
Als er in Nederland een baby wordt geboren, sturen de ouders bijna altijd een geboortekaartje aan al hun familie en vrienden. Die kaartjes zijn vaak heel leuk.
Als je een geboortekaartje krijgt is het gebruikelijk dat je een kaartje terugstuurt om de jonge ouders te feliciteren.
Vaak vragen de ouders om eerst even te bellen, voordat je op kraambezoek komt. Er komt namelijk veel bezoek langs in de eerste weken. Vaak nemen zij veel cadeautjes mee, zoals boekjes en kleertjes.
Omdat ouders hun eigen smaak hebben, of juist al veel spulletjes hebben, krijgen zij ook wel eens een bon om in te wisselen bij een winkel. Zij kunnen dan zelf iets leuks uitkiezen.
Hoe is dat in uw land?
 
 
 
Woordenlijst 6.5
 

 
de baby  -  baby
hij wordt geboren  -  he is borne
sturen  -  send
bijna altijd  -  almost always
al  -  all
die kaartjes  -  those cards
vaak  -  often
heel leuk  -  very nice
als  -  if
gebruikelijk  -  common, accustomed
terugsturen  -  send back, return
jong  -  young
feliciteren  -  congratulate
Hij feliciteerde de ouders met hun pasgeboren baby.  -  He congratulated the parents with their newborne baby.
vragen  -  ask
vragen om ...  -  to ask for ...
eerst  -  first
even  -  just
voordat  -  before
het kraambezoek  -  maternity visit
namelijk  -  after all, indeed 
de week  -  week
kleertjes  -  little clothes
wel eens  -  sometimes
bon  -  coupon, giftcard
inwisselen  -  exchange
zelf - himself, herself, themselves
 
 
Schrijf een kaartje aan de ouders van Jasper. Gebruik o.a. deze zinnen:
(Write a card to Jasper's parents. You can, among others, use these sentences:)
 
Hartelijke groeten
Wat een leuke naam!
Beste Peter en Sylvia,
je voornaam
Met de geboorte van
Ik bel jullie volgende week,
Hartelijk Gefeliciteerd,
jullie zoon Jasper
want ik wil graag langskomen.
 
_____________
 
___________________________________________
___________________________________________
___________________________________________
 
 
_______________
 
_______
 
 

Huiswerk oefening 6.12
 

 
 
Mijn dagboek vraag

 
Was er afgelopen week iets wat u wilde zeggen, en wat niet lukte?
Probeer het nu.
Weet u het niet? Verzin iets wat u graag zou willen zeggen in het Nederlands.
(Was there anything last week you could not say in Dutch? You didn't succeed expressing yourself?
Try it now.
If you don't have an example, please make something up)
 
 
 
.......................................................................................................................
.......................................................................................................................
.......................................................................................................................
.......................................................................................................................
.......................................................................................................................
 
 
 


DUTCH CAM CHAT 6:
 
a) Huiswerk oefening 5.11 (I will ask you the questions, you answer in Dutch)
 
 
b) Vertel me iets over uw familie of vrienden.
Hoe kent u ze?
Ziet u ze vaak?
Wat doen jullie samen?
 
 

     
 
 
 
 
 
 
Good job! You've reached the end of lesson 5+6!
 
Now you can:
* talk about your family and friends
* use all possessive pronouns
* offer something to someone and ask someone out
* use verbs in imperfect tense
* write a congratulations card