Les 9+10: WONEN
 
 

 
In these lessons you will learn:
* to talk about houses, interiors and homes
* colours
* to use present perfect tense
* to describe activities
 
 
Les 9 :
 
To download the homework file from this lesson, click HERE.

 
 
 
VIDEO 5.1

a) Kijk naar deze video's en zeg mij na. 
 

 
 
 
b) Kijk nogmaals enkele keren naar de video's en zeg mij na. (watch the videos several times again and repeat the words you see)
 
c) 
Huiswerk oefening 9.1
Schrijf hier alle woorden die u zich kunt herinneren: (write down all the words you can remember)
........................
........................
........................
........................
........................
........................
........................
........................
........................
........................
 
 
 
Huiswerk oefening 9.2
 
Etiketjes (tags)

Klik HIER 

voor een pagina met etiketjes.
Als u geen printer of een schaar heeft, kunt u deze etiketjes ook zelf maken op een papiertje of blanco etiketten (bijv. post-its).
Plak ze op ieder meubelstuk in uw huis. Dit is leuk en helpt u vast heel veel bij het leren van de woorden.

(Click here for a sheet with tags. If you don't have a printer or scissors, you can make the labels yourself on a piece of paper or
stickers (e.g. post-its).
Stick them on every piece of furniture in your house. It's fun and will help you a lot remembering the words.)
 

 
TEKST 1
 
a) Zeg mij na
 


Een nieuw huis
 
Miranda He he, eindelijk ben je er. Kon je het niet vinden?
Angela
Nou, met moeite. Ik heb anderhalf uur in de auto gezeten.
Miranda O, dat is wel erg lang. Doe je jas uit. Wil je direct het huis bekijken, of eerst koffie?
Angela Nee, eerst het huis.
Miranda Hier is de keuken.
Angela Wauw, lekker licht en zulke warme kleuren...
Miranda De gang is een beetje donker. Dat is de deur naar de kelder.
Angela Wat een grote!
Miranda En dan is hier de woonkamer.
Angela O wat mooi! Is die vloer van hout?
Miranda Ja, dat is het werk van Daniel.
Angela Prachtig. En wat een mooi bankstel! En tafel! Wat een bijzondere klok hangt daar!
Miranda
Die is nog van mijn grootouders geweest, net als de kast en de stoel. Daniel vindt die klok heel lelijk,
maar ik vind hem heel mooi, dus hij blijft daar hangen.
 
...En dan is hier de wc. Boven is er nog een. De trap is nog niet helemaal klaar.
Zullen we meteen naar boven gaan?
 
...
Miranda
 
Hier is de kamer van de meisjes en deze is van Bas. En dit is onze slaapkamer.
Angela Grote kamers, zeg.
Miranda En hier is de badkamer, met douche en bad.
Angela Wat een verschil met jullie vorige huis, he?
Miranda Ja, en het feit dat het ons eigen huis is, is voor ons heel belangrijk. Ik ben blij dat we het gedaan hebben.
Angela Hoe zijn de buren?
Miranda Wel aardig, geloof ik. Een gezin met 2 kinderen. Hun katten komen steeds in onze tuin, maar dat vind ik niet vervelend. Kom, we gaan naar beneden, ik ga koffie zetten.
 
 




b) Zeg mij na
 

 
 
Woordenlijst 9.1
 


het huis - house
he he! - phew!
eindelijk - finally, at last
de moeite - effort
ik heb moeite het te vinden - I have trouble finding it
anderhalf - one and a half
erg lang - very long
direct - direct(ly), immediate(ly)
eerst koffie - coffee first
Doe je jas uit - take of your coat
bekijken - to watch, to have a look at
licht - light, bright
wauw! - wow!
zulk(e) - such
warm(e) - warm
de gang - hall, corridor
beetje - a (little) bit
donker - dark
de kelder - cellar
een grote - a big one
de (woon)kamer - living room
de vloer - floor
(van) hout - (made of) wood



werk - job, work, creation
Dat is het werk van Daniel. - Daniel did it / That's Daniels effort.
prachtig - beautiful, splendid, gorgious
bank(stel) - couch, sofa, bench
de tafel - table
bijzonder - special
de klok - clock



hangen - to hang
grootouders (opa en oma) - grandparents (grandpa and grandma)
de kast - cupboard, closet
de stoel - chair
lelijk - ugly
blijft (blijven) - stays, remains (to stay, to remain)
de wc - toilet
(naar) boven - upstairs
de trap - stairs, staircase
klaar - finished, completed
meteen - right away, immediately
het meisje - girl



de slaapkamer - bedroom
de badkamer - bathroom
de douche - shower
het bad - bath
het verschil - difference
vorig - last, previous
het feit - fact
ons eigen huis - a house of our own



(heel) belangrijk - (very) important
eigen - own
durven - to dare
zoveel - so much / many
blij - glad, happy, pleased
gelukkig - happy



hoe - how
de buren - neighbours
geloven - to believe, to guess
het gezin - family
kat - cat
steeds - always, all the time
de tuin - garden
vervelend - annoying, inconvenient, tiresome
(naar) beneden - downstairs
koffie zetten - to make coffee



ik ga koffie zetten. - I'm going to make coffee.
 

 
c) Zeg mij na en zeg de woorden op plaats van de puntjes.
 


Een nieuw huis
 
Miranda He he, ... ben je er. Kon je het niet vinden?
Angela
Nou, met moeite. Ik heb ... uur in de auto gezeten.
Miranda O, dat is wel erg lang. Doe je jas uit. Wil je ... het huis bekijken, of eerst koffie?
Angela Nee, eerst het huis.
Miranda Hier is de ....
Angela Wauw, lekker licht en zulke warme kleuren...
Miranda De gang is een beetje ... . Dat is de deur naar de kelder.
Angela Wat een grote!
Miranda En dan is hier de woonkamer.
Angela O wat mooi! Is die vloer van ...?
Miranda Ja, dat is het werk van Daniel.
Angela Prachtig. En wat een mooi bankstel! En tafel! Wat een ... klok hangt daar!
Miranda
Die is nog van mijn grootouders geweest, net als de kast en de stoel. Daniel vindt die klok heel lelijk,
maar ik vind hem heel ..., dus hij blijft daar hangen.
 
...En dan is hier de wc. Boven is er nog een. De ... is nog niet helemaal klaar.
Zullen we meteen naar ... gaan?
 
...
Miranda
 
Hier is de kamer van de meisjes en deze is van Bas. En dit is onze ....
Angela Grote kamers, zeg.
Miranda En hier is de badkamer, ... douche en bad.
Angela Wat een verschil met jullie ... huis, he?
Miranda Ja, en het feit dat het ons eigen huis is, is voor ons heel belangrijk. Ik ben blij dat we het gedaan hebben.
Angela Hoe zijn de ...?
Miranda Wel aardig, geloof ik. Een gezin met 2 kinderen. Hun katten komen ... in onze tuin, maar dat vind ik niet vervelend. Kom, we gaan naar beneden, ik ga ... .
 


 

d) Luister naar de tekst met uw ogen dicht. Kunt u nu alles verstaan?

 
 

Extra uitleg
 
Herhaal de kleuren, klik hier. (repeat the colours, click here)
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 9.3
Vul de kleuren in, kijk naar uw eigen huis: (Fill in and have a look at your own house)
 
1. Mijn bank(stel) is ...wit ... .
 
2. Mijn kast in de woonkamer is ... .
3. Mijn (kleren)kast in de slaapkamer is ... .
4. Ik heb een ... tafel.
5. Mijn klok is ... .
6. Mijn badkamer is ... .
7. De vloer van mijn huis is ... .
8. Mijn gordijnen zijn ... .
 
de klerenkast - wardrobe
gordijnen - curtains

 
Huiswerk oefening 9.4
 
Tegenovergestelden (opposites)
1. boven a. donker 1 =
2. licht b. later 2 =
3. meisje c. mooi 3 =
4. vorig d. koud 4 =
5. warm e. jongen 5 =
6. eerder f. beneden 6 =
7. lelijk g. volgend 7 =
 
 



Huiswerk oefening 9.5
 
Kijk naar de volgende lijst en luister naar deze geluidsopname 'een huisje huren'.
Welke items bevinden zich in de bungalow?
Markeer de woorden die u hoort.
 
(look at the following list and listen to the audiotape here 'to rent a small house'.
Which items can be found in this bungalow?
Mark the words you hear.)
 
First listen to this glossary:
 
Woordenlijst 9.2
 

 
huren - to rent
de bungalow - bungalow
de verdieping - floor
de 3e verdieping - the 3rd floor
glazen - plural of 'het glas': glasses
comfortabel(e) - comfortable
schattig - cute
 





 
Huiswerk oefening 9.6


 

Mark the words you hear:
1. tafel
2. glazen
3. verwarming
4. bad
5. tv
6. bank
7. stoelen
8. bedden
9. keukentje
10. borden
 
 
WEB CAM SESSION 9:
1) Tell me what your house and interior looks like
2) Give me all persons, present and past of these verbs: zijn, hebben, gaan, pakken, maken, lopen.

 
Les 10:
 
To download the homefork file from this lesson, click HERE.
 
 
Huiswerk oefening 10.1 (approximately 1 hour)
Herhaal de grammatica over werkwoorden van les 3 - 6.
 
 
klik hier.
 
 




Extra uitleg
 
Werkwoorden (verbs)
Voltooid tegenwoordige tijd (present perfect tense)
 

 
 
 
Voorbeeld
werken (to work) USED WITH VERB 'HEBBEN' slagen (to graduate) USED WITH VERB 'ZIJN'
enkelvoud (singular)
ik heb gewerkt
jij hebt gewerkt
hij/zij heeft gewerkt
ik ben geslaagd
jij bent geslaagd
hij/zij is geslaagd
meervoud (plural)
wij hebben gewerkt
jullie hebben gewerkt
zij hebben gewerkt
wij zijn geslaagd
jullie zijn geslaagd
zij zijn geslaagd
 





 
Present perfect tense (voltooid tegenwoordige tijd)

* Beschrijft een actie of toestand in het verleden, die afgelopen is.
(describes an action in the past that has finished or a situation in the past that is over.)
 
Ik heb het boek gelezen. (I've read the book.)
Wij zijn dit jaar in Rusland geweest. (We've been to Russia this year.)
Karel heeft een auto gekocht. (Karel has bought a car.)
De kat is van het dak gevallen. (The cat has fallen of the roof.)
 
How to make a perfect tense in Dutch?:
1) helping verb HEBBEN or ZIJN and
2) ge XXXX t of ge XXXX d.
On the XXXX you place the 'stam'.
 
fietsen
ik fiets > ik heb gefietst
huilen
ik huil . ik heb gehuild
 
Helping verb HEBBEN is used when the main verb can have a direct object.
E.g. an apple can be eaten, a dog can be bought, a door can be made, etc.
A direct object can 'undergo' something.
 
Katja heeft een appel gegeten. (Katja has eaten an apple.)
Ruben heeft een hond gekocht. (Ruben has bought a dog.)
De timmerman heeft de deur gemaakt. (The Carpenter has made the door.)
De honkballer heeft een home-run geslagen. (The baseball batter has hit a home-run).
 
Helping verb ZIJN is used when the main verb cannot have a direct object.
E.g. it is not possible to fall someone or something. It is not possible to fly someone or something.
In English then you can use 'to have', but in Dutch it's not.
 
Eva is enorm gegroeid.
Joost is voor zijn rijbewijs geslaagd.
Ik ben naar Spanje gevlogen.
Wij zijn in Turkije geweest.
 
The helping verb ZIJN is also used in passive form, but that you will learn in lesson 7.
 
 

 
Hoe wordt de voltooid verleden tijd (perfect tense) gemaakt?
 
 
werken branden wachten maken pakken
present imperfectum perfect tense present imperfectum perfect tense present imperfectum perfect tense present imperfectum perfect tense present imperfectum perfect tense
ik werk werkte ik heb gewerkt brand brandde ik heb gebrand wacht wachtte ik heb gewacht maak maakte ik heb gemaakt pak pakte ik heb gepakt
jij werkt werkte jij hebt gewerkt brandt brandde jij hebt gebrand wacht wachtte jij hebt gewacht maakt maakte jij hebt gemaakt pakt pakte jij hebt gepakt
hij/zij werkt werkte hij/zij heeft gewerkt brandt brandde hij heeft gebrand wacht wachtte hij heeft gewacht maakt maakte hij heeft gemaakt pakt pakte hij heeft gepakt
wij werken werkten wij hebben gewerkt branden brandden wij hebben gebrand wachten wachtten wij hebben gewacht maken maakten wij hebben gemaakt pakken pakten wij hebben gepakt
jullie werken werkten jullie hebben gewerkt branden brandden jullie hebben gebrand wachten wachtten jullie hebben gewacht maken maakten jullie hebben gemaakt pakken pakten jullie hebben gepakt
zij werken werkten zij hebben gewerkt branden brandden zij hebben gebrand wachten wachtten zij hebben gewacht maken maakten zij hebben gemaakt pakken pakten zij hebben gepakt
 
 
Extra uitleg
 
Pay attention to 'd' or 't':
ik brandde - ik heb gebrand
ik pakte - ik heb gepakt
 






Extra uitleg
 
Irregular verbs



 
 
ik ga - ik ben gegaan
ik ben - ik ben geweest
ik kom - ik ben gekomen
ik sla - ik heb geslagen
ik koop - ik heb gekocht
 


Huiswerk oefening 10.2
 
Vul in:
 
1. Ik heb een kaarsje ... . (branden)
2. Hij heeft een uur ... . (wachten)
3. Wij hebben ruzie ... . (maken)
4. Jullie hebben een mok uit de kast ... . (pakken)
5. Jij hebt de hele dag ... . (werken)
6. Hij heeft goed ... . (dansen)
 


 

Huiswerk oefening 10.3
 
Vul in:
 
1. Het kind is dit jaar veel ... . (groeien)
2. Ik ben net naar de kapsalon ... (gaan) om mijn haar te knippen.
3. U bent in Finland ... . (zijn)
4. De vogel is naar het zuiden ... . (vliegen)



Woordenlijst 10.1
 


het kaarsje - candle
een uur wachten - to wait for an hour
ruzie - argument, fight, disagreement

de mok - mug
de kapsalon - barbershop, hair saloon
het haar - hair
knippen - to cut
het zuiden - the south
 
 
Huiswerk oefening 10.4
 
Some irregular verbs do not have a Perfect Particle ge XXXX t or ge XXX d.
Ik ben gevallen.
 
For a list of perfect tense, click HERE: Grammatica sterke werkwoorden
Study these verbs.
 

 
 

 
 
 
 
Huiswerk oefening 10.5
 
Maak de voltooid verleden tijd: (Make the perfect tense)
 
1. Ik ga naar huis. Ik ben naar huis ...gegaan...
2. Hij loopt naar buiten. Hij is naar buiten ... .
3. Hij slaat zijn vuist tegen de muur. Hij heeft zijn vuist tegen de muur ... .
4. Ik breng mijn zoon naar huis. Ik heb mijn zoon naar huis ... .
5. Jullie kijken naar mij. Jullie hebben naar mij ... . 
6. Wij lachen. Wij hebben ... .
7. Ik ga. Ik ben ... .
8. Zij zien een ondergaande zon. Zij hebben een ondergaande zon ... .
9. Jullie bewegen op de muziek. Jullie hebben op de muziek ... . 
10. Zij fluit naar de hond. Zij heeft naar de hond ... .
11. Mijn broek is gekrompen in de was! Mijn broek is in de was ... .
12. We zoeken je overal. We hebben je overal ... .
13. De doos verdwijnt. De doos is ... . 
 
 
Extra uitleg
 
Look at this sentence from TEKST 1: "...dat het ons eigen huis is, is voor ons heel belangrijk. Ik ben blij dat we het gedaan hebben."
 
geloven dat ...
vinden dat ...
zeggen dat ...
denken dat ...
weten dat ...
Voorbeeld: Michelle is heel gelukkig.
Ik geloof dat Michelle heel gelukkig is.
 
 
Huiswerk oefening 10.6
 
Vul in:
 
Bijvoorbeeld:
Cora vindt dat sneeuw mooi is. (Sneeuw is mooi)
 
1. Galileo geloofde, dat .................................... (De aarde is rond.)
2. Ik zeg dat .................................................. (Je ziet er mooi uit.)
3. Ik weet dat ................................................ (Ik kan zo niet doorgaan.)
4. Zij denkt dat .............................................. (Het huis is te klein.)
5. Wij zeggen dat ............................................ (De bank zit lekker.)
6. Jij vindt dat ............................................... (De klok is lelijk.)
 
 




Huiswerk oefening 10.7

Mijn Dagboek
Vertel me hoe uw huis eruitziet. Wat zou u graag willen veranderen? (Tell me (write down) what your house looks like. What would you want to change?)
.......................................................................................................
.......................................................................................................
.......................................................................................................
.......................................................................................................
.......................................................................................................
.......................................................................................................
.......................................................................................................





DUTCH CAM CHAT nr. 10:

a. Wat heeft u gedaan vandaag? (Tell me what you have done today. Use the perfect tense.)
For example:
Vanmorgen ben ik eerst wakker geworden.
Ik ben opgestaan uit mijn bed.
Ik heb mijn tanden gepoetst.
enzovoorts

wakker worden - to wake up
opstaan - to stand up, to go out of bed
het bed - bed
tanden poetsen - to brush your teeth

b. Vertel me 10 minuten over een onderwerp wat u heel erg interesseert. Het maakt niet uit wat.
(Tell me 10 minutes about a subject you like. Doen's matter what.)
 
Gebruik bijwoorden (adverbs):
 
 
Extra uitleg:

Adverbs

An adverb is a word that says something about a verb, a noun, another adverb or a sentence.

Soms heb ik van die momenten.
Je hebt nooit een keertje rust.
Je staat altijd voor me klaar.
Ik weet nu hoe het voelt.
Soms misschien een traan.

Adverbs of time:
- altijd (always)
- binnenkort (soon)
- dan eens (every now and then)
- gauw (soon)
- gisteren (yesterday)
- hoelang (how long)
- morgen (tomorrow)
- nu (now)
- pas (only)
- straks (later)
- toen (then)
- vandaag (today)
- wanneer (when)
- zo (in a minute)

Adverbs of frequence:
- dikwijls (often)
- vaak (often)
- telkens (every time)
- soms (sometimes)

Adverbs of place:
- daar (there)
- ergens (somewhere)
- heen (there)
- hier (here)
- nergens (nowhere)
- voorbij (beyond)
- waarheen (to which, where)

Adverbs of direction:
- langs (along)
- linksaf (to the left)
- naartoe (to)
- rechstaf (to the right)
- vandaan (from)
- voorbij (beyond)
- waarheen (to where)

Adverbs of degree, amount of:
- erg (very)
- heel (very much)
- hoe (how)
- nogal (very)
- zo (such)

Adverbs of character, qualification:
- anders (different)
- graag (willingly)
- hoe (how)
- zo (like this)

Adverbs of modality:
- inderdaad (indeed)
- misschien (maybe)
- slechts (only)

Adverbs of denial:
- nergens (nowhere)
- niet (not)
- nooit (never)

Adverbs of questioning:
- hoe (how)
- hoelang (how long)
- hoeveel (how much)
- waar (where)
- waar naartoe (to where)
- waar vandaan (from where)
- waarheen (where)
- waarom (why)
- wanneer (when)
 
 

c. Read a newspaper-article (www.ad.nl / www.nu.nl  / www.trouw.nl ) and tell me about it.







Good job!
Now you are able:
 
* to talk about houses, interiors and homes
* to use colours
* to use present perfect tense
* to recognise and build irregular verbs
* to describe several activities
* to call yourself Dutch student level A2!


 
 
 
 CONGRATULATIONS, YOU FINISHED LESSON 9+10!