Les 13 + 14:WERK
 
 
In these lessons you will learn:
* to do a (business) telephone call
* word sequence when 'omdat', 'of' or 'terwijl' are used in a sentence
* to use reflexive verbs
* use of passive verbs
* to talk about professions
 
 
Les 13
To download the homework-file from this lesson, click HERE.
 
 
TEKST 1

a) Luister naar de tekst


 
 
Telefoongesprek (Telephone call)
 
 
Thea Met wie spreek ik?
Roy Hallo, u spreekt met Roy . Spreek ik met Tom Griffioen?
Thea Nee, met Thea. Thea van Santen.
Roy Sorry, ik heb het verkeerde nummer gedraaid.
Telefoniste Goedemorgen, F.T. Advertising, waarmee mag ik u van dienst zijn?
Klant U spreekt met Roy. Roy Donders.
Ik wil graag spreken met Dhr. Griffioen, afdeling Sales.
Telefoniste Ik verbind u door!
Klant Dank u.
...
Receptioniste Meneer Donders?
Klant Ja?
Receptioniste Tom is momenteel in bespreking. Kan ik een bericht voor u achterlaten?
Klant Ik belde hem over mijn nieuwe campagne. Wilt u vragen of hij mij zo snel mogelijk terugbelt?
Receptioniste Ik laat een bericht voor u achter. Fijne dag!
Klant Dank u wel, u ook nog een fijne dag.
 
 
b) Zeg mij na
 

 
 
Woordenlijst 13.1


 
spreken - to talk, to speak
verkeerd(e) - wrong
een nummer draaien - to call a telephone number
iemand van dienst zijn met ... - To serve someone with ...
de afdeling - department
Sales - Sales
doorverbinden - to put through
momenteel - at this moment
in bespreking / in vergadering - in a meeting, busy
het bericht - message, note
achterlaten - to leave
de campagne - campaign
zo snel mogelijk - as soon as possible
 

Huiswerk oefening 13.1
Schrijf een telefoongesprek op dat u binnenkort wilt voeren.
(Write down a telephone conversation you have to make in the (near) future.)
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
..............................................................................................................
 
 
 

TEKST 2
 
a) Luister naar de tekst:
 
Meneer van Deelen gaat weg
 

 
Sofie Morgen is er een borrel op mijn werk. Ga je mee?
Ruud Een borrel? Waarom?
Sofie Mijn baas gaat weg. Hij heeft een nieuwe baan bij een Turks bedrijf in Rotterdam gekregen.
Ruud Waarom zo plotseling? Was er ruzie?
Sofie
Nou nee, maar hij kan daar meer geld verdienen.
De salarissen in het bedrijfsleven zijn vaak veel hoger dan bij de gemeente.
Maar het is geen vaste baan.
Ruud Gaat hij ook verhuizen?
Sofie Misschien. Hij wil het wel. Maar het schijnt dat zijn oudste zoon hier wil blijven. Die wil niet naar een andere stad.
Ruud Ja, dat begrijp ik.
Sofie Je gaat toch wel mee, he? naar die borrel?
Ruud Ja, hoor. Moeten we een cadeau meenemen?
Sofie Eigenlijk wel. Maar wat? Hij houdt van oude jenever. Wat vind je van een fles jenever?
Ruud Prima.
Sofie Koop jij hem, of zal ik het doen ?
Ruud Ik koop hem wel. Ik moet toch nog boodschappen doen.
 
 
b) Zeg mij na
 

 
 
 
 
 
 
Woordenlijst 13.2
 

 
de borrel - a (last) drink, party at work
meegaan - to join, to go with someone
waarom - why
weggaan - to go away, to leave
de baan - job
Turks - Turkish
het bedrijf - company
plotseling - sudden
ruzie - argument, fight, conflict
nou - well...
het geld - money
verdienen - to earn
het salaris - salary, wage, emolument
het bedrijfsleven - trade and industry
vaak - often
hoger - higher
de gemeente - municipality
vaste baan - permanent job
 

 
verhuizen - to move (house)
misschien - maybe, perhaps
het schijnt - it appears
begrijpen - to understand
eigenlijk - actually
de jenever - gin
 
 
Huiswerk oefening 13.2
 

 
 
Welke woorden hoort u op de puntjes?:
Schrijf op:
 
 
* Morgen is er een ... op mijn werk. Ga je mee?
----------
 
* Mijn baas gaat ... Hij heeft een nieuwe baan bij een Turks ... in Rotterdam gekregen.
---------- ----------
 
* Waarom zo plotseling? ... er ruzie?
----------
 
* Nou nee, maar hij kan daar meer ... verdienen.
----------
 
* De salarissen in het bedrijfsleven zijn vaak veel hoger ... bij de gemeente.
----------
Maar het is geen vaste ...
---------
 
* Hij wil het ... Maar het schijnt dat zijn oudste ... hier wil blijven. Die wil niet naar een andere ...
---------- ---------- ----------
 
* Je gaat toch wel ..., he?
----------
 
* Moeten we een ... meenemen?
----------
 
* Hij houdt ... oude jenever.
----------
 
* Koop jij hem, of zal ik het ... ?
----------
 
* Ik moet toch nog ... doen.
----------
 

 
 
 
 
Huiswerk oefening 13.3
 
Woordaccenten: klemtoon (to accent words)
 

 
Luister en onderstreep waar de klemtoon ligt:
(If necessary, listen again to TEXT 2)
 
borrel
waarom
nieuwe
Rotterdam
 
gekregen
plotseling
ruzie
verdienen
 
salarissen
bedrijfsleven
gemeente
verhuizen
 
misschien
andere
blijven
cadeautje
 
meenemen
eigenlijk
jenever
boodschappen
 
 
Huiswerk oefening 13.4
Meneer van Deelen's zoon voelt zich niet thuis in een vreemde stad.
Waar voelt u zich thuis?
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
waar voelt u zich niet thuis?
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
..................................................................................................
 
 
Extra uitleg
 
Wederkerend werkwoord (reflexive verb)
 

Zijn zoon voelt zich niet thuis. - He does not feel (himself) at home.
De kat wast zich. - The cat is washing herself.
Ik vergis me. - I am mistaking / I am wrong about it.
Hij bevindt zich in de kamer. - He can be found in the room.
 
Some verbs can (only) be used with personal nouns me, je, zich, and ons.
 
Ik voel me hier thuis.
Jij voelt je hier thuis.
Hij voelt zich hier thuis.
Zij voelt zich hier thuis.
 
Wij voelen ons hier thuis.
Jullie voelen je hier thuis.
zij voelen zich hier thuis.
 
voorbeelden: (in general it means to do something to yourself)
 
zich voelen
zich wassen
zich vergissen
zich bevinden
zich realiseren (to realise)
zich pijnigen (to hurt himself)
zich verwonden (to wound, to hurt yourself)
zich bezeren (to hurt yourself)
zich achter de oren krabben (to wonder)
zich voorstellen (to present yourself, to imagine)
* Ik stel me even voor, ik ben Manon. - Let me present myself, my name is Manon.
* Ik kan me voorstellen hoe rot u zich voelt. - I can imagine how you feel.
zich opwinden over iets (to be agitated about something)
 
 
Huiswerk oefening 13.5
 
Vul in:
 
1. De kat wast ... ieder dag.
2. Ik heb ... verwond, toen ik met mijn voet op een glasscherf stond.
3. Jullie hebben ... vergist. Het is niet 7 uur, maar 8 uur.
4. Wij realiseerden ... niet dat je boos zou worden.
5. De winkel bevindt ... in het winkelcentrum.
6. Zij voelt ... erg op haar gemak.
7. Jij windt ... op over een ruzie op je werk.
8. Het kantoor bevindt ... net buiten de stad.
9. Hij pijnigt ... al weken, kun je hem vergeven dat hij je jas heeft kwijtgemaakt?
 
 
Woordenlijst 13.3
 

 
toen - when
de glasscherf - piece of broken glass
zich op zijn gemak voelen - to feel comfortable, to feel at ease
het kantoor - office
vergeven - to forgive
kwijtmaken - to make lost
kwijt - lost, missing
 
 
Huiswerk oefening 13.6
 
Sofie vraagt aan Ruud of hij mee wil naar de borrel.
Als u een borrel zou hebben op uw werk en iemand gaat weg, wat zou dan als cadeau geven?
................................................................................................................................
................................................................................................................................
................................................................................................................................
 
 
 
 
Extra uitleg
 

 
of / dat / omdat / terwijl / als: werkwoord aan het einde van de zin
en / maar / want: werkwoord niet aan het einde van de zin
 
voorbeeld 1
Mag de tv wat harder?
Vraag eens of de tv wat harder mag.
 
voorbeeld 2
De knopis kapot.
De tv mag wel harder, maarde knopis kapot.
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 13.8
Vul in:
 
1. Sofie heeft een borrel op haar werk.
Ze vraagt aan Ruud of hij ..... (Ga je mee?)
 
2. Waarom is er een borrel?
Omdat ..... (De baas gaat weg)
 
3. Waarom gaat de baas van Sofie weg?
Omdat ..... (nieuwe baan)
 
4. Die baas kan bij dat nieuwe bedrijf meer verdienen.
Maar .... (het is geen vaste baan).
 
5. Misschien gaat die baas niet verhuizen. Zijn dochter wil hier blijven.
Misschien gaat de baas niet verhuizen, want .....
 
6. Ruud wil de jenever wel gaan kopen. Hij moet toch nog boodschappen doen.
Ruud wil de jenever wel gaan kopen, want .....
 
 
Huiswerk oefening 13.9
Welke woorden hoor je? Schrijf op.
 

 
1. borrel 7.
2. 8.
3. 9.
4. 10.
5. 11.
6. 12.
 

 
WEBCAM SESSION 13:
 
1) Give me all persons from of the verb 'zich wassen'. Present and past tense.
2) We practice a telephone call to a company.
3) Tell me about the text about the 'bedrijfsborrel'.
4) Read exercise 13.3 for me.
 
 
 
 
Les 14:
To download the homeworkfile from this lesson, click HERE.
 
 
Handige woorden
 
 
Beroepen
 
 
de verpleger - nurse
de verpleegster - nurse
de ambulancebroeder - ambulance nurse
de arts, de dokter - doctor
de chirurg - surgeon
de tandarts - dentist
de psycholoog - psychologist
de psychiater - shrink
de advocaat - lawyer
de rechter - judge
de leraar - teacher (male)
de lerares - teacher (female)

 
de politie-agent - police officer
 


de ambtenaar - civil servant, officer
de politicus - politician
 

de zakenman - business man, entrepreneur
de zakenvrouw - business woman
de personeelsmanager - human resource manager
financieel manager - finance manager
de commercieel medewerker - commercial employee
de commercieel medewerkster - commercial employee
de call center medewerker - call center employee
de manager - manager
hij / zij werkt voor ... - he / she works for ...
de productiemedewerker - production employee
de secretaris - secretary
 

de secretaresse - secretary
de handelaar - trader, merchant
de ondernemer / de zelfstandige - entrepreneur, independent worker
de ontwerper - designer
de directeur - CEO, director, manager
 

de computer-programmeur - computer programmer
de ICT-er - information&communication technology specialist / analist
de bouwvakker - construction worker
 
 
de stratenmaker - person who builds and repairs streets and pavements
de timmerman - carpenter
de loodgieter - plumber
de glazenwasser - window cleaner
de engineer - engineer
de postbode - postman
de pakketten bezorger - mail deliverer


de archeoloog - archeologist
de geoloog - geologist
de bioloog - biologist
de dierenarts - veterinarian
 


de onderzoeker - researcher
de onderzoekster - researcher
de laboratorium medewerker - laboratory employer
de laboratoriummedewerkster - laboratory employer


 
de winkelier - shopkeeper
de kunstenaar - artist
de kunstenares - artist
de musicant - musician, music artist
de zanger - singer



de zangeres - singer
de kastelijn, de kroegbaas - owner of a bar/pub
barman - bartender
 
 
de eigenaar - owner
de ober - waiter
de serveerster - waitress
de kok - cook
de pizzabezorger - pizza deliverer
de kassier - cashier
de kassiere - cashier
de journalist - journalist
de zeeman - seaman, sailor
de militair - soldier
 

de vrijwilliger - volunteer
de tuinman - gardener
de schoonmaker cleaner
de schoonmaakster - cleaner
de sportman - sportsman
de busschauffeur - bus driver
 

de taxichauffeur - taxi driver
de trambestuurder - tram driver
de (trein)conducteur, de machinist - train conductor
 


de vuilnisman - garbage collector
de boer - farmer
de boerin - farmer
de brandweerman - fireman


de tv-presentator - tv-host
de tv presentatrice - tv-hostess
de nieuwslezer - newscaster, newsreader
de nieuwslezeres - newscaster, newsreader
 
 
de acteur - actor
de actrice - actrice
de bakker - baker
de slager - butcher
de groenteboer - greengrocer
de bloemist - florist

 
de architect - architect
de steward - steward
de stewardess - air hostess
de tolk - translator

 


 
Huiswerk oefening 14.1
 
Schrijf op van 3 beroepen wat ze doen.
 
Beroep 1: ....
 
..................................................................
..................................................................
..................................................................
..................................................................
..................................................................
 
 
 
Beroep 2: ....
 
..................................................................
..................................................................
..................................................................
..................................................................
..................................................................
 
 
 
Beroep 3: ....
 
..................................................................
..................................................................
..................................................................
..................................................................
..................................................................
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 14.2
Mijn Dagboek
 
 
 
Schrijf een korte tekst.
 
Werkt u?
....
 
Wat voor werk doet u?
..................................................................
..................................................................
..................................................................
 
Wat voor werk zou u (ook) graag willen doen?
..................................................................
..................................................................
..................................................................
 
 
Huiswerk oefening 14.3
 
Bedrijven (companies)
 
 
 
Schrijf antwoorden op onderstaande vragen:
 
Werkt u bij een bedrijf / organisatie / instelling? (Zo nee, verzin dan een bedrijf of vertel over een familielid / vriend)
(Do you work at a company / organisation / foundation? (If no, make up a company or tell about a familymember or friend)
..............................
 
 
Wat voor bedrijf?
.........................................................................
 
 
Een internationaal bedrijf?
.........................................................................
 
 
Heeft u een vaste baan?
.........................................................................
 
 
Wat vindt u van de salarissen in Nederland? Zijn deze hoger / lager dan in uw land?
.........................................................................
.........................................................................
 
Bent u verhuisd voor uw werk?
.........................................................................
 
 
Bent u wel eens op een borrel van uw werk geweest? Waarom was er een borrel?
.........................................................................
.........................................................................
 
 
Wat vond u ervan?
........................................................................
 
 
 
Leer uw bovenstaande tekst en vertel het me later via de webcam.
(study your own text and tell me later by webcam)
 
 
 
Extra uitleg
 

 
 
Passive form
 
In lesson 5 we looked at the verb in Perfect Tense.
herhaling:
hebben + ge 'stam' t / hebben + ge 'stam' d
(in some cases you use zijn + ge 'stam' t / ge 'stam' d )
 
* Ik heb een broodje uit de kast gepakt.
* Ik ben 1 cm gegroeid.
 

 
 
Bij de passieve vorm wordt het voltooid deelwoord (ge....t of ge...d) ook gebruikt. Bijv. gepakt, geduwd.
(When used passive form, you also use the Perfect Particle 'ge XXXX t' (gepakt) or 'ge XXX d' (geduwd).)
 
Ik ben geslagen. I have been hit.
Jullie zijn ingestopt. You have been tucked in.
Zij zijn naar het vliegveld gebracht. They have been brought to the airport.
 
In the above examples the passive activity (I've been hit, I've been tucked in, I've been brought to the airport) happened in the past and is finished.
 
However, when the action is not finished but happening right now, you use the verb WORDEN.
WORDEN is used when something is happening right now.
 
Ik word geslagen. (Ik word nu geslagen.)
Jullie worden ingestopt. (Jullie worden nu ingestopt.)
Zij worden naar het vliegveld gebracht.(Zij worden nu naar het vliegveld gebracht.)
 
 
When you tell a story in the past, you can also use the past tense of worden: WERDEN.
 
Ik werd geslagen. (Ik werd toen geslagen.)
Jullie werden ingestopt. (Jullie werden toen ingestopt.)
Zij werden naar het vliegveld gebracht. (Zij werden toen naar het vliegveld gebracht.)
 
 
WORDEN
 
ik word
jij wordt
hij/zij wordt
wij worden
jullie worden
zij worden
 
 
Voorbeelden (examples)
 
De man ziet mij. - Ik word gezien. (door de man)
De man bedriegt jou. - Jij wordt bedrogen. (door de man)
De man slaat de poes. - De poes wordt geslagen. (door de man)
De man verkoopt de spullen. - De spullen worden verkocht. (door de man)
Jullie hakken het hout. - Het hout wordt gehakt. (door jullie)
 

Extra uitleg
 

 
 
Difference between 4 passive forms?????? Don't worry, look at the 4 sentences below, and you will understand.
 
The dog is (getting) pet. / The dog is being pet. (happening right now) De hond wordt geaaid.(present)
The dog was being pet. (happened in the past, it was going on in the past) De hond werd geaaid.
The dog has been pet. (happened in the past) De hond is geaaid. (in the past: present perfect)
The dog was pet. (happened in the past and finished) De hond was geaaid.
 

 
passive: ik was ontslagen ik werd ontslagen ik ben ontslagen ik word ontslagen
 
 
 
Extra uitleg
 
WORDEN has different meanings:

 
* 1. used in present passive form

 
* 2. be something in the future
 
Ik word later timmerman.

 
* 3. To become something
 
De koffer wordt nat.
 
Mijn hoofd wordt rood van woede.
 
 
 
Huiswerk oefening 14.4
 
Maak de passieve vorm (Turn into passive form):
 
Voorbeeld:
De katapult schiet de vogel af. De vogel wordt afgeschoten. (door de katapult)
 
1. In 'Angry Birds' schiet de katapult de vogel af.
De vogel...............................
2. De man ziet hem.
Hij...............................................
3. Wij hakken het hout.
4. Ik verzorg het paard.
5. Jullie brengen hem naar het vliegveld.
6. Jij stopt het kind in.
7. Zij slaan haar.
8. De dief berooft mij.
9. Ik gooi de bal.
10. Jullie aaien de hond.
11. Ze drinkt melk.
12. Zij zien sterren.
13. Jij eet het koekje.
14. Jullie voelen pijn.
15. Hij draagt een dikke trui.
16. Ik verf het huis.
17. Wij herhalen de woorden.
18. Jij oefent het toneelstuk.
19. Jullie repareren de fiets.
20. Ze bedriegt hem.
21. Jij bekijkt de film.
 

Woordenlijst 14.1

het hout - wood
verzorgen - to take care of
het vliegveld - airport
instoppen - to put to bed
de dief - thief, robber
beroven - to rob, to mug
gooien - throw
aaien - to pet, to stroke, to fondle, to carress
de ster - star
een trui dragen - to wear a sweater, to wear a pullover
verven - to paint
het toneelstuk - play (in a theatre), drama
bedriegen - to deceive, to betray
bekijken - to watch, to view
 

 

 
Huiswerk oefening 14.5
 
Herhaal hoofdstuk 1-13. (Please repeat chapter 1-13.)
This will take you about 2 hours.
 
 
Gefeliciteerd! (Congrats!)
Now you are able to:
 
1+2
* say hello to someone, to ask how someone is doing
* use 'the article 'de' and 'het'
* use nouns, singular and plural
* use words to explain the location of an object or person

3+4
* talk about your home and your hobbies in Dutch
* use personal pronouns
* use the 8 most-used irregular verbs
* build all verbs in present time

5+6
* talk about your family and friends
* use all possessive pronouns
* offer something to someone and ask someone out
* use verbs in imperfect tense
* write a congratulations card

7+8
* talk about food
* express your preference
* use adjectives
* use demonstrative pronouns

9+10
* talk about houses, interiors and homes
* colours
* use present perfect tense
* describe several activities

11+12
* talk about leisure time
* talk in a museum
* talk in a restaurant
* count
* use ordinal numbers
* say what time it is
* use the days of the week, months and seasons
* describe all shops

13+14
* to do a (business) telephone call
* reflexive verbs
* word sequence when 'omdat' 'of' or 'terwijl' are used in a sentence
* use of passive verbs
* to talk about professions

 


DUTCH CAM CHAT nr. 14:
 
1) Verzin een verhaaltje, waarin u de passieve vorm gebruikt. Het maakt niet uit wat.
(Make up a story in which you use the passive form. Doesn't matter what subject.)
2) Tell me about huiswerk oefening 14.3
3) Read loud all the professions of the glossary in this lesson.
 
4) Give me 3 professions and explain me what they do.



 
Congratulations, you finished lesson 13 + 14!