Les 17 + 18: KLEDING EN UITERLIJK
 
 
 
In these lessons you will learn to:
* talk about clothing, fashion and looks
* try on clothing in shops and ask for help
* express agreement and disagreement
* the difference between 'hoeven' and 'moeten'
* go to the hairdresser and say what you want
* verbs in future tense
 
 
Les 17
 
To download the homework-file from this lesson, click HERE.
 
 

VIDEO 1
 
Watch these movies and repeat 5 times.
 
 
 
 
 
 
 
 

TEKST 1
 
Wat doe jij aan?

a) Luister naar de tekst     
 
 
 

Kevin Schuit and Carla Hof are dressing for a visit to the opera
 
Carla Kevin!
Kevin Ja, wat is er?
Carla Wat doe jij vanavond aan?
Kevin Gewoon, een spijkerbroek, en een overhemd.
Carla Maar we gaan toch naar de opera?
Kevin Ja, wat bedoel je daarmee?
Carla Nou, ik doe nette kleren aan!
Kevin En ik trek mijn spijkerbroek aan.
Carla
Nee hoor, dat kan niet!
Als je naar de opera gaat, moet je een beetje mooie kleren aantrekken.
Kevin
Welnee, dat was vroeger zo.
Tegenwoordig hoeft dat niet meer.
Carla
Dat ben ik niet met je eens.
Iedereen doet zijn mooie kleren aan.
Kevin Moet ik dan echt mijn nette pak aan?
Carla Ja, natuurlijk.
Kevin Nou goed, dan moet het maar.
 
 
 
b) Zeg mij na
 

 
 
 
Woordenlijst 17.1
 

 
doe...aan (aandoen)  -  to put on
gewoon...  -  just
de spijkerbroek  -  jeans
het overhemd  -  shirt (blouse)
toch  -  here: aren't we?'
de opera  -  opera(house)
daarmee  -  with / by that
nette kleren  -  best clothes
de kleren  -  clothes
net  -  neat, decent
dat kan niet  -  you can't do that
als  -  when, if
aantrekken  -  to put on, here: to wear
welnee  -  of course not
dat was vroeger zo  -  it used to be like that (in the old days)
vroeger  -  formerly
zo  -  so, like that
tegenwoordig  -  nowadays
hoeven (+niet / geen)  -  don't have to
niet meer  -  no more, not anymore
iedereen  -  everybody, everyone
echt  -  real(ly)
nette pak  -  (best) suit
dat moet dan maar  -  then I'll do it
nou, dat wil ik niet!  -  well, I don't want that!
 
 
 
c) Lees met mij mee en zeg de woorden op plaats van de puntjes. 
 

 
Kevin Schuit en Carla Hof kleden zich om voor een bezoek aan de opera.
Kevin Schuit and Carla Hof are dressing for a visit to the opera.
 
Carla Kevin!
Kevin Ja, wat is er?
Carla Wat doe jij vanavond ...?
Kevin Gewoon, een spijkerbroek, en een ... .
Carla Maar we gaan toch naar de opera?
Kevin Ja, wat ... je daarmee?
Carla Nou, ik doe nette kleren aan!
Kevin En ik trek mijn ... aan.
Carla
Nee hoor, dat kan niet!
Als je naar de opera gaat, moet je een beetje mooie kleren aantrekken.
Kevin
Welnee, dat was vroeger zo.
      ... hoeft dat niet meer.
Carla
Dat ben ik niet met je ... .
Iedereen doet zijn mooie ... aan.
Kevin Moet ik dan echt mijn nette pak aan?
Carla Ja, natuurlijk.
Kevin Nou goed, dan ... het maar.
 
 
Extra uitleg
 
Het ergens mee eens zijn / het ergens niet mee eens zijn
(Expressing agreement or disagreement)
 


 
eens niet eens
Dat is waar. That's right. Dat is niet waar. That's not right.
Ik ben het met je eens. I agree with you. Ik ben het niet met je eens. I don't agree with you.
Je / U hebt gelijk. I agree  /  You're right Nee hoor. No, it isn't.
Ja hoor. Yes, it is. Welnee. Of course not.
Natuurlijk! Of course! Natuurlijk niet! Of course not!
 
 
Huiswerk oefening 17.1
 
Vertel me of u het eens of onees met deze stellingen bent, en leg uit waarom wel/niet.
(Tell me whether or not you agree with these sentences, and explain why.)
 
1. Naar de opera moet je nette kleren aan.
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
 
2. Een spijkerbroek is mooi.
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
 
3. In de winter doe je nooit zomerkleren aan.
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
 
 
Extra uitleg
 
Uitdrukken dat iemand moet  /  dat iemand niet hoeft
Expressing one is obliged or not obliged to do something


 
ja (wel) nee (niet)
Ik moet / We moeten ... I / We have to ... ik hoef / we hoeven       niet / geen ... I / We don't have to ...

'hoeven' is only used with 'niet'
'moeten' is used with 'wel' and 'niet'.  
 
Voorbeelden:
Ik hoef niet naar huis te gaan. (You don't have to go home.)
Ik hoef geen boter! (I don't want butter!)
 
Ik moet je iets vertellen. (I have to tell you something.)
Je moet hem niet opjagen.  (Please don't push him.)
 
 
 
Huiswerk oefening 17.2
 
Waar of niet waar?
(true or false)
 
1. Carla trekt haar spijkerbroek aan.      waar / niet waar
2. Kevin doet zijn nette pak aan.      waar / niet waar
 
 
Huiswerk oefening 17.3
 

 
Welke reactie drukt uit dat ze het met elkaar eens zijn?
(Which response expresses agreement?) 
 
1. Je moet mooie kleren aan naar de opera
a. Dat ben ik niet met je eens.
b. Dat hoeft niet.
c. Dat is waar.
 
2. Tegenwoordig kun je een spijkerbroek aantrekken.
a. Dat kan heel goed.
b. Ik ben het niet met je eens.
c. Nou, maar ik doe het nooit.
 
3. Iedereen trekt mooie kleren aan.
a. Dat is niet waar.
b. Dat is zeker zo.
c. Dat was vroeger zo.
 
Welke reactie drukt uit dat ze het niet met elkaar eens zijn?
(Which response expresses disagreement?)
 
 


1. Ik trek mijn nette pak aan.
a. Natuurlijk, dat doe ik ook.
b. Dat moet eigenlijk ook.
c. Heb je geen gewone kleren?
 
2. Dit is toch een mooi overhemd?
a. Dat ben ik met je eens.
b. Vind jij dat mooi?
c. En dat pak ook?
 
3. Je moet mooie kleren aantrekken naar een concert?
a. Ik ben het niet met je eens.
b. Ik doe het ook altijd.
c. Natuurlijk, iedereen doet dat.
 

 
 
 
 
Huiswerk oefening 17.4 
 
Moet, hoef of hoeft?
 
1. _________ ik een net pak aan?
2. Dat ________ niet.
3. _________ ik niet mee?
4. _________ ik naar dat concert?
5. Ik _________ geen mooie kleren aan.
6. Jij _________ nu naar huis
7. Zij _________ niet naar de hockey wedstrijd te kijken.
 
 
Huiswerk 17.5

Verbind tegenovergestelden (Match opposites)
 
1. het hoeft niet a. ja hoor  1 =
2. nee hoor b. vroeger  2 =
3. dat kan niet c. een spijkerbroek  3 =
4. een net pak d. het moet  4 =
5. tegenwoordig e. dat kan wel  5 =
 
 
 
 
WEBCAM SESSION LESSON 17:
1) Geef me alle kledingstukken die je weet. (Give me all types of clothing you know.)
2) Wat zou u aandoen naar de opera? (What would you wear to the opera?)
 
 
 
 
Les 18:
To download the homework-file from this lesson, click HERE.
  

 

TEKST 2
 
a) Luister naar de tekst
 
In de winkel
Nadia en Loes passeren een boetiek.  Ze besluiten naar binnen te gaan.
 

 
Verkoopster Kan ik u helpen?
Nadia Mogen we even rondkijken?
Verkoopster Ja, natuurlijk.
Nadia Wat vind je van deze rok?
Loes Mooi, maar een beetje lang
Nadia Dat is in de mode. Vind je het goed dat ik hem even pas?
Loes Ga je gang. Ik heb geen haast. Kijk eerst even naar de maat voordat je hem aantrekt.
Nadia Maat 38. Ik neem aan dat die goed is.
Nadia ...en?
Loes Is hij niet te klein?
Nadia Een beetje.
Verkoopster Ik heb toevallig nog een 40. Probeert u die eens.
Nadia Dank u.
Nadia ...Hoe zit deze?
Loes Heel goed. Hij past precies.

Nee, echt. Hij staat je heel goed. Neem hem maar.
Verkoopster Daar is een spiegel.
Nadia Hij is wel een beetje duur.
Verkoopster Maar hij staat u prachtig.
Nadia Dan neem ik hem!
 
 
 
 
 
b) Zeg mij na


 

Woordenlijst 18.1
 

 
passeren  -  to pass by
de boetiek  -  boutique
besluiten  -  to decide
de verkoopster, de verkoper  -  shop assistant (woman), shop assistant (man)
de winkel -  shop
rondkijken  -  to look around, to browse
de rok  -  skirt
de mode  -  fashion
passen  -  to try on, to fit
haast hebben  -  to be in a hurry
de maat  -  size
voordat  -  before
aannemen  -  to presume, accept
klein  - small
groot  -  big
toevallig  -  by chance, as it happens
proberen  -  to try, to try on
hoe zit deze?  -  What do you think of...?
beleefd  -  polite
hij staat je heel goed  -  it looks very nice on you
de spiegel  -  mirror
prachtig  -  splendid, beautiful


c) Lees met mij mee en zeg de woorden op de plaats van de puntjes.
 
 

Verkoopster Kan ik u helpen?
Nadia Mogen we even ... ?
Verkoopster Ja, natuurlijk.
Nadia Wat ... je van deze rok?
Loes Mooi, maar een beetje lang
Nadia Dat is in de ... . Vind je het goed dat ik hem even ... ?
Loes Ga je gang. Ik heb geen haast. Kijk eerst even naar de ... voordat je hem aantrekt.
Nadia Maat 38. Ik neem aan dat die goed is.
Nadia ...en?
Loes Is hij niet te klein?
Nadia Een beetje.
Verkoopster Ik heb ... nog een 40. Probeert u die eens.
Nadia Dank u.
Nadia Hoe zit deze?
Loes Heel goed. Hij ... precies.
Nadia Nee, echt. Hij staat je heel goed. ... hem maar.
Verkoopster Daar is een spiegel.
Nadia Hij is wel een beetje ... .
Verkoopster Maar hij ... u prachtig.
Nadia Dan neem ik hem!
     
 
 

Extra uitleg


Iemand helpen (Offering assistance) 
 


Kan ik u helpen?  -  Can I help you?
Wat kan ik voor u doen?  -  What can I do for you?
Waarmee kan ik u van dienst zijn?  -  What can I do for you?
 
Toestemming vragen (Seeking permission)
 
Mag ik...? / Kan ik...?  -  May I...? / Can I...?
Vind je het goed dat...?  -  Do you mind if...?
Heeft u er bezwaar tegen als ik rook?  -  Do you mind if I smoke? 
 
 
Huiswerk oefening 18.1
 
Vul de gaten in (Fill in the gaps):
 
1. Nadia en Loes willen eerst _________.
2. Nadia ziet een lange _________.
3. Lange rokken zijn in de __________, zegt Nadia.
4. De eerste rok is een beetje te _________.
5. De tweede rok past ________.
6. Hij staat je heel goed _________, zegt Loes.
7. Hij is wel een beetje te _________, zegt Nadia.
 
 
Huiswerk oefening 18.2
 
Vul in (Fill in):
Vervoeg het werkwoord indien nodig (Change the form of the verb when required)
 
haast / maat / past / beleefd / rok / spiegel / staat / prachtige / mode / winkel / voordat
 
1. Vroeger had ik ... 42, tegenwoordig 44. Wat ben ik dik geworden!
2. Deze spijkerbroek is te groot voor me. Hij ... me niet.
3. Naar welke ... ga je? O, even naar de supermarkt.
4. ... we naar de Hema gaan, wil ik eerst een kop koffie.
5. Wat een gekke kleuren! Ik wist niet dat die weer in de ... waren.
6. Vind je deze bril echt mooi, of ben je alleen maar ...?
7. Het spijt me, ik moet nu echt weg, ik heb ... .
8. Die spijkerbroek ... je leuk, zeg!
9. Waar is een ...? Ik wil even zien of dit T-shirt me goed staat?
10. Ik draag alleen een ... als ik op sollicitatiegesprek ga.
11. Neem hem nou maar. Het is een ... jas.
 
 
 
TEKST 3
 
a) Luister naar de tekst
 
Bij de kapper
 

  
Sander Goedemorgen, ik wil graag mijn haar laten knippen.
Kapster Dat kan, neemt u plaats. Wilt u uw haren eerst laten wassen?
Sander Nee, dank u. Wilt u mijn pony bijknippen? Ik wil het van achteren niet te kort.
Kapster Zal ik hier een centimeter afhalen en het hier een beetje uitdunnen?
Sander
Ja, dat is goed, er moet een klein stukje af. Ik wil wel de oren vrij.
Ik wil mijn haar zoals die meneer op die foto.
Kapster
OK, dat gaan we doen.
...
Zo, alles naar wens? Wilt u gel in uw haar?
Sander Dat ziet er goed uit, ik hoef geen gel, bedankt.
 
 
 
b) Zeg mij na
 

 
 
Woordenlijst 18.2
 

 
het haar  -  hair
laten  -  to let
knippen  -  to cut
dat kan  -  that's possible, of course
plaatsnemen  -  to take place, to sit down
wassen  -  to wash
de pony  -  pony (hair on your forehead) or pony (small horse)
bijknippen  -  just cut a bit shorter
van achteren  -  at the back, from behind
kort  -  short, brief
de centimeter  -  centimeter
ergens van af halen  -  to deduct, to take away
uitdunnen  -  to make thin, to make lean
stukje  -  piece
de gel  -  gel
 
 
 
het kapsel  -  haircut 
blond haar -  blond
bruin haar -  brown hair
zwart haar  -  black hair
rood haar  -  red hair
grijs haar  -  grey hair
stijl  -  smooth
krullend  -  curly
 
 
 
 
Huiswerk oefening 18.3
 

 
Beschrijf het uiterlijk en het kapsel van onderstaande personen:
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
1.
 
 
.....................................
.....................................
.....................................
.....................................
.....................................
 
 
2.
 
 
.....................................
.....................................
.....................................
.....................................
.....................................
 
 
3.
 
 
....................................
....................................
....................................
....................................
....................................
 
 
4.
 
 
....................................
....................................
....................................
....................................
....................................
 
 
5.
 
 
....................................
....................................
....................................
....................................
....................................
 
 
6.
 
 
....................................
....................................
....................................
....................................
....................................
 
 
 
 
 
 
 
Extra uitleg
 

 
2 maal infinitief:
 
Ik wil mijn haar laten knippen. (I would like to have a hair cut)
Ik heb hem laten lopen. (I let him walk away)
Ik wil mijn auto laten wassen. (I want my car to get cleaned)
Ik wil mijn jas graag laten stomen. (I would like to get my coat dry-cleaned)
Wilt u me uit laten praten alstublieft? (Please don't interrupt me)
 
 
Ook:
Speciaal in het Nederlands: als 'kunnen' samen met een ander werkwoord voorkomt in de voltooid verleden tijd, is het niet 'gekund', maar 'kunnen'.
 
Ik heb het niet kunnen vinden. 
 
 

 
Extra uitleg
 
 
Verbs
Future 
 

 
You use the future tense, when:
 
 
* you want to describe an action that yet has to happen
 
- We zullen morgen naar het strand gaan. (Tomorrow we'll go to the beach)
- Hij gaat straks oliebollen bakken. (Later on, he will bake some deep-fried dough balls)
- De jongens zullen me helpen. (The boys will help me)
 
* You want to do a proposal or promise.
 
- Zullen we naar de bioscoop gaan? (Shall we go to the cinema?)
- Ik zal de rekening betalen. (I will pay the bill)
     
toekomende tijd met ZULLEN toekomende tijd met GAAN
ik zal koken       ga koken
jij, u zal / zult
koken gaat koken
hij, zij, het zal koken gaat koken
wij zullen koken gaan koken
jullie zullen koken gaan koken
zij zullen koken gaan koken
 
voorbeelden:
Ik zal overleven  -  I will survive
Ik ga koken  -  I'm going to cook


Vorm (how it is formed)
 

 
zullen + infinitief
 
- Hij zal om acht uur hier zijn.
- Wij zullen morgen vroeg opstaan.
 
Describe the future 
 
1. zullen + infinitief
 
- Mijn vriend zal me met alles helpen.
- Zijn moeder zal op vakantie naar Spanje gaan.
- Jan zal alleen maar goede cijfers op zijn rapport krijgen.
 
2. gaan + infinitief
 
- Hij gaat straks oliebollen bakken.
- Wij gaan een winterjas kopen.
- Ik ga je helpen.
 
3. You can describe an action in the future with a time notification in the future. Then, you don't have to use the future-form, but only the present form.
 
- Morgen komt de vuilnisman.
- Volgende week koop ik een nieuwe auto.
- Vanaf vrijdag heeft Rosa vakantie.
 
 
Woordenlijst 18.3
 
 
vroeg opstaan  -  to get up early
op vakantie  -  to go on a holiday
het cijfer  -  grade
het rapport  -  scholary report, record
de vuilnisman  -  garbage man, dustman
 
 
Huiswerk oefening 18.5
 
Maak de toekomstige tijd:
 
1. Hij ... straks ...  (winkelen)
2. Zij ... bij me ...  (blijven)
3. Wij ... ...  (studeren)
4. Ik ...  voor je ...  (zingen)
5. Jullie ... voor hem ... (zorgen) 
6. Zij ... morgen om acht uur allemaal ... (vertrekken)
7. Jij ... hier spijt van ... (krijgen)
8. Jij ... boodschappen ... (doen)
9. Wij ... dat ... (repareren)
10. Ik ... mijn kamer ... (opruimen)
11. ... we naar huis ... (gaan)
12. Jij ... succesvol ... (zijn)
13. Ik ... ... (werken)
14. Jij ... ... (wachten)
15. hij/zij ... ... (zoeken)
16. Wij ... beter ... (worden)
17. Jullie ... ... (vertrekken)
18. Zij ... ... (terugkomen)
 
 
 
Handige rijtjes
 

 
Betalen
 
Kan ik (hier) pinnen?  -  Can I pay with my cash card (here)?
 
Kan ik (hier) met (mijn) creditcard betalen?  -  Can I pay with my credit card (here)?
 
pinnen  -  to pay with a cash card / to get money from an ATM machine 
 
Waar moet ik tekenen?  -  Where do I have to sign?
 
Waar is hier een bank?  -  Where can I find a bank?
 
Ik zoek een geldautomaat / pin-automaat.  -  I am looking for an ATM machine.
 
Dit is mijn bankrekeningnummer.  -  This is my bank account number.
 
Ik wil graag geld wisselen.  -  I would like to exchange money.
 
Wat is de wisselkoers?  -  What's the exchange rate?
 
Kunt u me ook wat kleingeld geven?  - Could you give me some change / some coins?
 
Houd het kleingeld maar  -  Keep the change.
 
 
 
 
 
 

Huiswerk oefening 18.6
 
Mijn Dagboek vraag
 

     
Welke kleren had u vandaag aan?
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
Welke kleren hadden uw collega's aan?
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
Wat is uw lievelingskledingstuk?
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
Vindt u mode belangrijk?
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
Een Nederlands spreekwoord is 'Kleren maken de man', bent u het hiermee eens?
Waarom wel / waarom niet?
...............................................................................................
...............................................................................................
...............................................................................................
 
 
 
 
 
 
Lesson 18 is almost finished.
Now you can:
* talk about clothing, fashion and looks
* try on clothing in shops and ask for help
* express agreement and disagreement
* the difference between 'hoeven' and 'moeten'
* go to the hairdresser and say what you want
* verbs in future tense
 
 
 
 

DUTCH CAM CHAT nr. 18:
        
1) Practical business: Heeft u een auto in Nederland? Ga benzine tanken en spreek alleen Nederlands met mij, "de pompbediende".
U kunt het nu best!
......................................................................
......................................................................
......................................................................

2) Doe net alsof ik iemand ben die in een winkel werkt. U zoekt mooie korte broek voor in de zomer.
 
 
 
3) Noem alle kledingstukken, die u kent.
 
4) Houdt u van mode?
 
5) Heeft u vragen over uw huiswerk of de grammatica?
 
 
 
 
Very good! you finished chapter 18.
Let's move forward to the last 2 chapters of this lesson. Then you will be an excellent beginner!