Les 19+20: REIZEN




In these lessons you learn to talk about:
* holiday
* to talk with people in a hotel / camping site
* weather conditions
* public transportation
* future past tense
* comparative and superlative adjectives
 
Les 19:
To download the homeworkfile of this lesson, click HERE. 

TEKST 1

a) Luister naar de tekst



Bij de receptie
 
Frits Mijn naam is Frits de Ruiter. Zijn er voor morgen nog kamers vrij?
Receptioniste Even kijken.....Ja, we hebben er nog 4 beschikbaar.
Frits Wat kost het per nacht?
Receptioniste 90 euro.
Frits Is dat per persoon?
Receptioniste Ja.
Frits Kan ik een kamer reserveren?
Receptioniste Voor hoe lang wilt u reserveren?
Frits Het is voor 3 nachten.
Receptioniste Dat komt dan op 270 euro.
Frits Kan ik met creditcard betalen?
Receptioniste Ja hoor.
Frits Kan ik ook pinnen?
Receptioniste Ja, dat kan ook. Bij aankomst, ter plekke.
Frits Ik zal om 4 uur arriveren.
Receptioniste Dan zal uw kamer gereed zijn.
Frits We blijven minstens 3 nachten, maar misschien iets langer, dat weet ik nog niet zeker.
Receptioniste Hoeveel langer blijft u eventueel?
Frits Ik weet nog niet hoe lang ik zal blijven, dit hangt van mijn vrouw af.
Receptioniste Dat is geen probleem.
Frits Zijn huisdieren toegestaan?
Receptioniste Nee, helaas.
 
 
 
 
 
Woordenlijst 19.1
 

 
vrij  -  free, available
even kijken...  -  Let's have a look...
kosten  -  to cost
bij aankomst  -  upon arrival
ter plekke  -  locally, over there, at location
gereed  -  ready, finished
minstens  -  at least
misschien  -  maybe, perhaps
nog niet  -  not yet
zeker  -  for sure
langer  -  longer
hoeveel langer  -  how much longer
afhangen van ...  -  to depend on ...
mijn vrouw  -  my wife
het huisdier  -  pet
toegestaan  -  allowed
helaas  -  unfortunately, regrettably
 
 
 
 
b) Lees met mij mee en zeg de woorden op de plaats van de puntjes.
 

 
Bij de receptie
 
Frits Mijn naam is Frits de Ruiter. Zijn er voor morgen nog kamers vrij?
Receptioniste Even kijken.....Ja, we hebben er nog 4 beschikbaar.
Frits Wat ... het per nacht?
Receptioniste 90 euro.
Frits Is dat ... persoon?
Receptioniste Ja.
Frits Kan ik een kamer reserveren?
Receptioniste Voor hoe lang wilt u reserveren?
Frits Het is voor 3 nachten.
Receptioniste Dat komt dan op 270 euro.
Frits Kan ik met ... betalen?
Receptioniste Ja hoor.
Frits Kan ik ook ...?
Receptioniste Ja, dat kan ook. Bij aankomst, ter plekke.
Frits Ik zal om 4 uur ... .
Receptioniste Dan zal uw kamer gereed zijn.
Frits We blijven minstens 3 nachten, maar ... iets langer, dat weet ik nog niet zeker.
Receptioniste Hoeveel langer blijft u eventueel?
Frits Ik weet nog niet hoe lang ik zal blijven, dit ... van mijn vrouw af.
Receptioniste Dat is geen probleem.
Frits Zijn huisdieren ... ?
Receptioniste Nee, helaas.
 
 
Huiswerk oefening 19.1
Beantwoord onderstaande vragen:
 
1. Hoeveel kamers zijn er nog vrij in het hotel?
In het hotel zijn .......
2. Hoeveel kost een kamer per nacht, voor twee personen?
Een kamer kost .......
3. Hoe kan Frits betalen?
...............................
4. Hoe laat zijn de kamers klaar?
..............................
5. Hoelang wil Frits in het hotel verblijven?
..............................
6. Als Frits een hond heeft, mag hij hem dan meenemen in het hotel?
..............................


 
Huiswerk oefening 19.2
Vul in:
 
1. Frits wil graag een hotelkamer ... . (book, reserve)
2. Hoeveel ... (costs) een kamer per persoon per ... (night)?
3. Zijn huisdieren ... ? (allowed)
4. Kan ik met creditcard ... ? (pay)
5. We blijven ... (at least) 3 nachten.
6. Ik weet niet hoe laat het ontbijt is. Ga jij even naar de ... ? (receptionist)
7. De politie was snel ... (at location) na het ongeval.
8. Zal ik met de fiets naar mijn werk gaan? Dat ... ... (depends on) het weer.
9.... (maybe) gaan we dit weekend in een hotel slapen.
 
 
 
 
TEKST 2
 
a) Luister naar de tekst
 

 
In het hotel
Lena Hoe laat is het ontbijt morgenvroeg?
Receptioniste Van 7 tot 11 uur.
Lena Hoe laat gaat de deur dicht?
Receptioniste Niet, we hebben een nachtportier.
Lena Is er post voor mij?
Receptioniste Wat is uw kamernummer? wat is uw naam?...Nee, u heeft geen post.
Lena Wilt u een taxi voor me bellen?
Receptioniste Ja, hij zal hier zijn in 5 minuten.
 

Woordenlijst 19.2
 

 
de post  -  mail
het kamernummer  -  room number
de taxi  -  cab
in vijf minuten  -  within 5 minutes
 
 
 
 
 
b) Lees met me mee en zeg de woorden op de plaats van de puntjes. 
 

 
In het hotel
Lena Hoe laat is het ... morgenvroeg?
Receptioniste Van 7 tot 11 uur.
Lena Hoe laat gaat de deur dicht?
Receptioniste Niet, we ... een nachtportier.
Lena Is er ... voor mij?
Receptioniste Wat is uw kamernummer? wat is uw naam?...Nee, u heeft geen post.
Lena Wilt u een taxi voor me bellen?
Receptioniste Ja, hij ... hier zijn in 5 minuten.
 
 
 
Huiswerk oefening 19.3
 
Wat is een nachtportier?
................................................................
................................................................
................................................................
................................................................
 
 
 
 
TEKST 3
 
a) Luister naar de tekst
 


Op de camping
 
Raymond Waar is de beheerder?
Receptionste Hij komt er zo aan.
Raymond Mogen we hier kamperen?
Receptionste Ja, natuurlijk.
Raymond Is dit een jongerencamping?
Receptionste Het is geen jongerencamping, hier zitten allerlei mensen.
Raymond We zijn met 6 personen, 3 tenten en 2 auto's. Mogen we zelf een plaats uitzoeken?
Receptionste
Ja hoor. De plaatsen 73, 24 en 11 tot en met 20 zijn nog vrij.
U ziet ze hier op de plattegrond.
Raymond Wat kost het per tent?
Receptionste 12 euro per tent per nacht.
Raymond
Moeten we betalen voor warm water?
 
Receptionste U kunt voor 5 cent per stuk douchemuntjes kopen.  Er zijn ook wasmachines om uw kleren te wassen.
Raymond
Is er op het terrein een kinderspeelplaats?
Is er op het terrein ook Internetverbinding?
Receptionste
Ja, de speeltuin vindt u hier om de hoek.
We hebben gratis wifi in het restaurant.
Raymond Kan ik hier een kluis huren?
Receptionste Ja, geen probleem.
Raymond Mogen we hier barbecuen? Zijn er elektriciteitsaansluitingen?
Receptionste Ja, bij de tent is elektriciteit. Een BBQ gebruiken mag op de daarvoor aangewezen plaatsen.
Raymond Verkoopt u gasflessen?
Receptioniste
Morgenvroeg om 8 uur is de campingwinkel weer open. U kunt ze daar kopen.
Een hele fijne vakantie! Mocht u nog vragen hebben, loop gerust langs.
 
 
 
 
 
Woordenlijst 19.3
 

 
de beheerder  -  administrator, manager
zo  -  soon, in a minute (other meaning: this way, like this, other meaning: so)
kamperen  -  to camp
natuurlijk  -  of course (other meaning: natural)
jongeren  -  young people, youths
allerlei  -  all sorts of, every kind of, miscellaneous
de tent  -  tent
zelf  -  myself / yourself / himself / herself / ourselves / themselves
uitzoeken  -  to choose, to investigate
de plattegrond  -  map 
het muntje  -  coin
de douche  -  shower
de wasmachine  -  washing machine
het terrein  -  terrain, grounds, field
de kinderspeelplaats, de speeltuin  -  playground,
de verbinding  -  connection
om de hoek  -  (just) around the corner
wifi  -  wireless Internet
de kluis  -  the safe
huren  -  to rent 
barbecuen  -  to barbecue
elektriciteit, electriciteit  -  electricity, power
de electriciteitsaansluiting  -  power supply  
daarvoor aangewezen plaatsen  -  appointed locations 
het gas  -  gas
de fles  -  bottle,  
gerust  -  reassured
loop gerust langs  -  please drop by
 
 
 
b) Lees met mij mee en zeg de woorden op plaats van de puntjes.
 
 
 

 
Op de camping
 
Raymond Waar is de beheerder?
Receptionste Hij komt er zo aan.
Raymond Mogen we hier ... ?
Receptionste Ja, natuurlijk.
Raymond Is dit een jongerencamping?
Receptionste Het is geen jongerencamping, hier zitten ... mensen.
Raymond We zijn met 6 personen, 3 tenten en 2 auto's. Mogen we ... een plaats uitzoeken?
Receptionste
Ja hoor. De plaatsen 73, 24 en 11 tot en met 20 zijn nog vrij.
U ziet ze hier op de plattegrond.
Raymond Wat kost het per tent?
Receptionste 12 euro per tent per nacht.
Raymond
Moeten we betalen voor warm water?
 
Receptionste U kunt voor 5 cent per stuk douchemuntjes kopen.  Er zijn ook wasmachines om uw kleren te wassen.
Raymond
Is er op het ... een kinderspeelplaats?
Is er op het terrein ook ...?
Receptionste
Ja, de speeltuin vindt u hier om de hoek.
We hebben gratis wifi in het restaurant.
Raymond Kan ik hier een ... huren?
Receptionste Ja, geen probleem.
Raymond Mogen we hier barbecuen? Zijn er elektriciteitsaansluitingen?
Receptionste Ja, bij de tent is .... Een BBQ gebruiken mag op de daarvoor aangewezen plaatsen.
Raymond ... u gasflessen?
Receptioniste
Morgenvroeg om 8 uur is de campingwinkel weer open. U kunt ze daar kopen.
Een hele fijne vakantie! Mocht u nog vragen hebben, loop gerust ... .
 
 
Huiswerk oefening 19.4
Vul in:
1. Dit is geen jongerencamping. Hier zitten ... (all sorts of) mensen.
2. We zijn met 4 personen en 2 tenten. Mogen we zelf onze plaatsen ... (choose)?
3. Een hele fijne ... (vakantie)!
4. ... (Tomorrow morning) is de camping winkel weer open.
5. Hij vindt het leuk om in de zomer te ... (barbecue).
6. Ik kan het zwembad niet vinden op de ... (map), kunt u me misschien helpen?
7. Kan ik hier ook Internet... (connection) krijgen?

 
 
 
Huiswerk oefening 19.5
 
Houdt u van kamperen? Waarom wel / niet?
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
 
 
 
 
 
 
Handige woorden
 
 
Vakantie
 
 
 
 
 

 
de eenpersoonskamer  -  single room
de tweepersoonskamer  -  room for two persons
Is dat inclusief diner?  -  Does the price include dinner?
het ontbijt  -  breakfast
de lunch / het middageten  -  lunch
inbegrepen  -  included
is het ontbijt bij de prijs inbegrepen?  -  Does the price include breakfast?
airconditioning  -  airconditioning
overnachten  -  stay, sleep over
het eenpersoonsbed  -  single bed
het tweepersoonsbed  -  double bed
draadloos Internet  -  wireless Internet
de kamer  -  room
naast elkaar  -  next to eachother, adjacent to
de toilet  -  toilet
het bad  -  bath
met eigen bad  -  with own bath
aan de straatkant  -  streetside
met uitzicht op zee  -  with seaview
de lift  -  elevator
de roomservice  -  roomservice
het zwembad  -  swimming pool
schoonmaken  -  to clean
de fitnessruimte  -  fitness room
de verdieping / etage  -  floor
Deze kamer bevalt ons goed.  -  We like this room.
de eetzaal  -  dining room
de nooduitgang  -  emergency exit
parkeren  -  to park
de sleutel  -  key
 

 
iemand wekken  -  to wake someone up
de deken  -  blanket
het kussen  -  pillow
lakens  -  sheets
de handdoek  -  towel
zeep  -  soap
shampoo  -  shampoo
slapen  -  to sleep
het lawaai  -  noise
het toiletpapier  -  toiletpaper
De wc zit verstopt  -  The toilet is blocked.
De tv doet het niet  -  The television doesn't function properly.
het bed opmaken  -  to make the bed
De lakens ontbreken  -  The sheets are missing.
Er zijn niet genoeg handdoeken  -  There aren't enough towels.
Kunt u dat in orde maken?  -  Could you fix that?
 

 
Het is ons hier goed bevallen.  -  We liked it here.
We komen graag nog een keer terug.  -  We would like to came back some time.
afrekenen  -  pay the bill
de borgsom, de borg  -  deposit
bagage  -  luggage
Mag onze bagage hier blijven staan, totdat we vertrekken?  - Could our luggage stay here, untill we leave?
Bedankt voor u gastvrijheid.  -  Thank you for your hospitality. 
de eis  -   requirement, demand, wish
 
 
Huiswerk oefening 19.6
 
U wilt een hotel, camping of vakantiehuisje uitzoeken voor uw vakantie.
Welke eisen heeft u?
........................................................................................................
........................................................................................................
........................................................................................................
........................................................................................................ 
........................................................................................................
........................................................................................................ 
 
 
 
 
 
  
 
 
Huiswerk oefening 19.7
Combineer de juiste zinnen:
 
1. Kan ik voor morgenavond...
a. uw gastvrijheid. We komen graag een keer terug.
2. Dank u wel voor ...
b. u kunt er nu niet in zwemmen.
3. Zijn huisdieren ...
c. toegestaan op deze camping?
4. Ik weet nog niet hoe lang ik ga blijven ...
d. ja, er zijn niet genoeg handdoeken in de hotelkamer aanwezig.
5. Hebben jullie een klacht?
e. inclusief het ontbijt?
6. Het zwembad wordt momenteel schoongemaakt...
f. een 2-persoonskamer reserveren?
7. Is deze prijs ...
g. graag afrekenen. Kan ik hier pinnen?
8. Goedemorgen, ik wil
h. dit hangt van het weer af.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
TEKST 4
 
Het weer
 
Bekijk deze plaatjes en luister naar de woorden
(Look at these pictures and listen to the words):
 
 

 
 
 
1. mooi weer
 
 
2. slecht weer :-(
 

3. zonnig, het is heet

4. bewolkt
 

5. het regent
 

6. het onweert
 

7. het waait
 

8. het stormt
 

9. het sneeuwt, het is koud
 

10. het vriest
 

11. het hagelt
 
 
 
Huiswerk oefening 19.8
 
Luister nogmaals naar tekst naar tekst 4 en schrijf hier de weersomstandigheden op:
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
 

 
 
 
 
Woordenlijst 19.4


 
Het weer
 
Wordt het mooi / slecht weer?  -  Will the weather be nice / bad?
 
Hoeveel graden wordt het?  -  How many degrees will it be?
 
Gaat het regenen? -  Will it rain?
 
Wordt er storm verwacht?  -  Is a storm expected?
 
Gaat het morgen sneeuwen?  -  Will it snow tomorrow?
 
 
 
Het gaat vriezen.  -  Temperature will drop below zero.
 
Gaat het dooien?  -  Is it going to thaw / melt tomorrow?
 
Is er mist voorspeld?  -  Does the weather forecast say fog?
 
 
 
Komt er onweer?  -  Are thunderstorms coming our way?
 
Het weer slaat om.  -  The weather conditions are changing.
 
Het koelt af.  -  It is cooling down.
 
 
 
Wat voor weer wordt het vandaag / morgen?  -  What kind of weather will it be today / tomorrow?
 
Blijft het zo?  -  Does it remain like this?
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 19.9
 
Wat is het weer vandaag?
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 19.10
Kijk op www.ad.nl, bovenaan de pagina: wat voor weer wordt het morgen?
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
 
En wat is de weersvoorspelling overmorgen?
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
 
 
 
 
 
 
 
Handige woorden om het weer te beschrijven
(Useful words to describe weather conditions)
 

 
de weersvoorspelling  -  weather forecast
...graden boven / onder nul  -  ...degrees above / below zero.
zonnig  -  sunny
 
 
 
benauwd  -  humid, sultry, oppressive, airless
regenbui  -  rain, shower
zacht  -  soft, nice
mooi  -  nice, beautiful
 
 
 
onbewolkt  -  without clouds
bewolkt  -  cloudy
regen  -  rain
motregen / miezerregen  -  drizzling rain
de nevel  -  mist
regenachtig  -  rainy
koud  -  cold
kil  -  very cold, freezing
ijzel  -  glazed frost
vorst  -  frost, freezing cold (also: king)
sneeuw  -  snow
mist  -  fog
heet  -  hot
rukwinden  -  gusts of wind, squalls
onweer  -  thunderstorm
bliksem  -  lightning
windkracht (op de schaal van Beaufort)  -  wind intensity (Beaufort Scale)
 
 
 
Huiswerk oefening 19.11
 
 
Een praatje maken over het weer (talk about the weather) 
 
Wat is het warm / koud vandaag!  -  How hot / cold it is today!
Lekker weer, he?  -  Nice weather, don't you think?
Wat een wind/storm!  -  Such a wind/storm!
 
 
 
 
Wat is uw lievelingsweer?
.......................................................................
.......................................................................
.......................................................................
.......................................................................
.......................................................................
 
 
 
 
Huiswerk oefening 19.12
 
 
Vul in:
 
ijzelt / zon / sneeuwen / onbewolkt / heet / regent / waait / mist / rukwinden / winter / bliksem
 
1. In de zomer is het ...
2. In de herfst ... en ... het veel.
3. In de ... is het koud.
4. In de lente regent het nog veel, maar komt er meer ... .
5. In de winter kan het ... .
6. Als de grond nog koud is en de lucht warm, krijg je ... .
 
 
 

7. Met veel wind is fietsen moeilijk. Soms heb je zelfs ... .
8. De kans om door de ... geraakt te worden is heel klein.
9. Pas op met motorrijden, het ... !
10. Het is ... vandaag, ik verwacht geen regen.
 

WEBCAM SESSION LESSON 19:
1) Maak een reservering voor een hotel.
2) Maak een reservering voor een camping.
3) Wat voor een weer is het vandaag?
 
 
 
 
 
Les 20:
To download the homeworkfile of this lesson, click HERE.
 
 
 
Huiswerk oefening 20.1
Kies een krantenartikel van www.ad.nl, waar gaat het over?
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
............................................................................................................
 
 
 
Extra uitleg
 
Verbs
 
 
 
 
 
 
 
Toekomstige verleden tijd
(past future)
 
Bijvoorbeeld:
Ik zou graag een winterjas kopen, maar ik heb geen geld.
Hij zou me helpen, maar hij kwam niet.
Als het heet zou zijn, zou ik mijn jas uitdoen.
Je zou eventueel met mij mee kunnen gaan.
 
 
ik zou
jij zou
hij/zij/het zou
wij zouden
jullie zouden
zij zouden
 
Wanneer gebruik je 'zou'(toekomstig verleden tijd)?
 
* Beleefdheid (politeness)
Zou u zo vriendelijk willen zijn hier geen rommel te laten liggen?
Ik zou graag een hotel willen boeken. 
 
* Belofte (promiss)
Hij zou me komen ophalen, maar kwam niet, ik stond in de stromende regen!
 
* Voornemen (intention)
Ik zou eens wat minder moeten uitgaan en meer moeten slapen.
 
* Mogelijkheid (possibility)
Je zou ook bij mij kunnen slapen.
Het zou kunnen gaan regenen.

* Wens (wish)
Het zou mooi zijn als je je kamer eens zou opruimen!
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 20.2
 
Zet de toekomstige tijd om in de toekomstig verleden tijd:
(Put present future into past future:)
 
1. Ik zal langskomen.
.........Ik zou langskomen........................................................
 
 
2. Hij zal me helpen.
.................................................................
3. Het weer zal warm zijn.
.................................................................
4. De wolken zullen weg zijn.
.................................................................
5. Het zal sneeuwen.
.................................................................
6. Zij zullen een winterjas aandoen.
.................................................................
7. Er zullen rukwinden voelbaar zijn.
.................................................................
 
voelbaar  -  noticeable, tangible, perceptible
 
 

Handige rijtjes
 

 
 
 
We vertrekken morgen / over 2 weken.  -  We leave / depart tomorrow / in 2 weeks.
 
Bent u hier al lang?  -  Are you here already for a long time?
 
Een paar dagen.  -  A few days
 
Waar logeert u?  -  Where do you stay?
 
In een hotel / appartement.  -  In a hotel / appartment.
 
Op een camping.  -  On a camping site.
 
Ik verblijf/logeer in huis bij vrienden / familie.  -  I am staying in my friends house / family's house.
 
Ik reis met mijn partner.  -  I am travelling with my partner (husband/wife boyfriend/girlfriend).
 
 
 
 
In the bus / train
 
 
 

 
Waar gaat deze trein naartoe?  -  Where is this train going?
 
Kan ik deze bus nemen om naar ... te gaan?  -  Should I take this bus to go to ...?
 
Stopt deze trein in ...?  -  Is this train stopping in ...?
 
Is er een bus naar/van het vliegveld?  -  Is there a bus to / from the airport?
 
Is deze plaats bezet / vrij?  -  Is this seat taken / free?
 
Kunt u me zeggen waar ik moet uitstappen voor ...?  -  Could you tell me where I have to get out in order to reach ...?
 
Wilt u me waarschuwen als we bij ... zijn?  -  Could you notify/warn me when we are close to ...?
 
Wilt u bij de volgende halte stoppen?  -  Would you like to stop at the next (bus)stop?
 
Waar zijn we hier?  -  Where are we here?
 
Zijn we ... al voorbij?  -  Did we already pass ...?
 
Kan ik op dit kaartje ook weer terug? Is dit een retourkaartje of een enkeltje?
Can I use this ticket also on my way back? Is this a returnticket or a one-way-ticket?
 
Is dit een intercity / stoptrein?  -  Is this an intercity  / a train that stops at every trainstation?
 
Bij welk perron stopt de trein naar / uit ...?  -  At which train platform the train to / from ... stops?
 
Waar vertrekt de bus naar ...?  -  Where does the bus to ... depart?
 
 
 
 
 
Gaat deze bus naar ...?  -  Is this bus going to ...?
 
Hoe laat vertrekt de volgende bus?  -  What time the next bus is leaving?
 
Waar kan ik een kaartje kopen?  -  Where can I buy tickets?
 
Wat is de volgende halte?  -  What is the next stop?
 
Kunt u me zeggen wanneer ik eruit moet?  -  Could you notify me when I have to get out?
 
Reist u met ov-chipkaart? Vergeet dan niet uit te checken.  -  If you travel with public transfer chip card, please don't forget to check out.
 
 

 
 
 
 
Taxi
 
Taxi!  -  Taxi!
 
Kunt u een taxi voor me bellen?  -  Could you call a cab for me?
 
Waar kan ik hier in de buurt een taxi nemen?  -  Where can I find a cab in this area?
 
Kunt u me naar dit adres brengen?  -  Could you bring me to this address?
 
Ik heb haast.  -  I'm in a hurry.
 
Kunt u iets langzamer / harder rijden?  -  Could you drive a bit slower / faster please?
 
Hoe ver is het naar ... ?  -  How far is it to... ?
 
Laat u me er hier maar uit.  -  You can let me out here.
 
U moet hier rechtdoor / linksaf / rechtsaf.  -  You have to go straight on / to the left / to the right here.
 
Hier is het!  -  Here it is!
 
Hoeveel is het?  -  How much does it cost? / How much is it?
 
Laat zo maar zitten.  -  Keep the change.
 
Kunt u een ogenblikje op me wachten?  -  Could you wait for me just a minute?
 
 
 
 
Huiswerk oefening 20.3
 

 
 
U heeft pech en stapt in een taxi met een taxichauffeur die de weg nog niet goed weet.
Leg hem in het Nederlands uit hoe hij van uw werk naar uw huis moet rijden.
(You have bad luck today, you are in a taxi with a taxi driver who doesn't know his way around town yet.
Explain in Dutch the way from work to your home.) 
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
.........................................................................................................................
 
 
Huiswerk oefening 20.4
 
U bent in een vreemde stad en wilt ergens naartoe (verzin zelf waar naartoe).
Schrijf 5 vragen op die u aan de buschauffeur zou kunnen stellen en wat hij daarop zou kunnen antwoorden.
1. .....................................................................................................................
........................................................................................................................
2. .....................................................................................................................
........................................................................................................................
3. .....................................................................................................................
........................................................................................................................
4. .....................................................................................................................
........................................................................................................................
5. .....................................................................................................................
........................................................................................................................
 
 
VIDEO 1 (optional)
 
Televisie fragment
 
U kunt naar de Nederlandse televisie kijken. Het is gemakkelijk als u via 'Teletekst' ook de ondertiteling erbij neemt. Dan kunt u lezen wat ze op tv zeggen. Zo leert u snel Nederlands.
U kunt bijvoorbeeld naar quizzen kijken. Daarin hoort u steeds weer dezelfde zinnen.
Misschien kunt u al veel verstaan. Het is niet erg als u niet alles verstaat. Als het een beetje is, is dat al heel erg goed.
 
Probeer dit stukje te volgen:
 

 
 
Huiswerk oefening 20.5
 
Write down the words or sentences you can hear or reproduce from this video. Try to write down as many sentences as you can.
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
...............
Is there anything you really did not understand? We can talk about it during our webcam session.
...............................................................................................................
...............................................................................................................
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 20.6
 
 
Vakantie in Nederland
 
 
 
Write down which places you like and why.
* ...........................................................................
............................................................................
............................................................................ 
* ...........................................................................
............................................................................
............................................................................   
* ...........................................................................
............................................................................
............................................................................   
* ...........................................................................
............................................................................
............................................................................ 
* ...........................................................................
............................................................................
............................................................................ 
 
 
 
 
 
Extra uitleg
 
 
Vergelijkende en overtreffende trap (comparative and superlative)
 

 
 
 
mooi  -  mooier  -  mooist  (beautiful  -  more beautiful  -  most beautiful)
 
Adjective:                        mooi      
Comparative:  add -ER      mooier
Superlative: add -ST         mooist
 
Die piano is oud.
Die piano is ouder dan mijn vader.
Deze piano is het oudst.
Nederland is koud.
Spanje is minder koud dan Nederland. Maar Antarctica is kouder dan Nederland.
Antarctica is het koudst. De woestijn in Afrika is het minst koud. 
 
Extra uitleg
 

 
 
If the word ends with -er, you don't add -er, but -der
Cor vindt snoepjes lekkerder dan cake. (lekker > lekkerder)
Snoepjes zijn het lekkerst van allemaal! (lekker > lekkerst)
 
If the word ends with a consonant, sometimes it doubles
Claire vindt zichzelf dommer dan Hugo. (dom > dommer)
Zij is het domst. (dom > domst)
 
Some superlatives are irregular
Ik ga veel op vakantie.
Hij gaat meer op vakantie dan ik. (veel > meer)
Tanja gaat het meest op vakantie. (veel > meest)
 
weinig > minder > minst 
goed > beter > best
graag (willingly) > liever > liefst
 
 
 
Huiswerk oefening 20.7
 
Comparatief
Vul in: 
 
1. warm Ik vind Portugal ... dan Finland.
2. langzaam De bus rijdt ... dan de trein.
3. goed Ja, maar dan moet jij ... luisteren.
4. belangrijk Ik vind Nederlands leren ... dan naar de film gaan
5. aardig Mijn oom is veel ... dan mijn tante.
6. duur Schoenen zijn hier ... dan in Berlijn.
7. fijn Ik vond dit hotel in Ibiza... dan dat appartement in Oostenrijk.
 
 
Huiswerk oefening 20.8
 
Superlatief 
Vul in: 
 
1. vol Mag ik het ... glas? Ik heb erge dorst.
2. mooi Dit is het ... plekje in het hele dorp.
3. beroemd Dit gebouw is het ... monument van Amsterdam.
4. aardig Dat is de ... man die ik ken.
5. gek Dat is de ... foto die ik ooit gezien heb.
6. druk De ... markt in Amsterdam is de Albert Cuypmarkt.
7. zwaar De wandeling naar boven was het ...
 
 
Extra uitleg
 
Woord volgorde (Word sequence)
 
If you want to emphasize HERE / THERE / NOW / LATER, the word sequence can change.
 
Mijn moeder gaat naar huis <> Nu gaat mijn moeder naar huis
 

 
 
Mijn moeder
Gaat
Nu gaat
gaat
mijn moeder
mijn moeder
naar huis.
naar huis?
naar huis.
Hans
Woont
Hier woont
woont
Hans
Hans.
in Amsterdam.
in Amsterdam?
 
Dave
Spreekt
Nu spreekt
spreekt
Dave
Dave
goed Nederlands.
goed Nederlands?
goed Nederlands.
 
 
Huiswerk oefening 20.9
 
Vul in:
1. Hans woont hier.
Hier ...............
2. Priscilla gaat nu naar huis.
Nu .................
3. Ik spreek goed Frans.
.....................?
 
4.  Zij gaan na hun vakantie weer naar huis.
Na hun vakantie .......................
5. Wij wonen in Nederland.
..................................?
 

 
 
Huiswerk oefening 20.10
 
Lees de woorden van TEKST 1 (les 19, bovenaan deze pagina) en luister nogmaals naar de tekst. Scroll naar beneden terug naar hier.
Schrijf de woorden op die je nog weet.
...............................................................
...............................................................
...............................................................
...............................................................
...............................................................
...............................................................
............................................................... 
 
 
Huiswerk oefening 20.11
 
Bekijk les 1 tot en met 9 nog een keer.
Schrijf op wat u nog moeilijk vindt en waar u graag meer uitleg over zou willen hebben of meer mee zou willen oefenen.
.......................................................................................................................................................
.......................................................................................................................................................
.......................................................................................................................................................
 
 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 20.12
 
Schrijf 10 zinnen over:
 
1. Uw favoriete manier van reizen.
....................................................................................................................................
.................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................
....................................................................................................................................
.................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................
.................................................................................................................................... 
.................................................................................................................................... 
.................................................................................................................................... 
2.  Uw favoriete vakantieland.
....................................................................................................................................
.................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................
....................................................................................................................................
.................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................
.................................................................................................................................... 
.................................................................................................................................... 
....................................................................................................................................  
 
 

Huiswerk oefening 20.13
Mijn Dagboek

     

 
a) Describe nice experiences and events you had during your holiday(s). 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
b) Desribe your dream holiday.
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
.........................................................................................................................................................
.........................................................................................................................................................
......................................................................................................................................................... 
 
 
 
 
Huiswerk oefening 20.14
Choose a song you like and tell me about it in Dutch.
 

DUTCH CAM CHAT HOUR 20:
 
 
 
 

a) Tell me about holidays you have had the last years.
b) Pick one of the 10 beginner lessons, choose a subject and try to talk 10 minutes about it.
c) Choose a grammar subject you want more explanation about.
 

 
 
 
 
 
 
Congratulations! You're not a beginner anymore.
You've made your first steps to speaking Dutch.
You've reached level B1.
 
You've done a great job!